Shanks & son, recupereren, balsemen, thuisbezorging

burial party
1. Oogsten

14-12-1862, 0u44, Fredericksburg

‘Deze is net lang genoeg’ , zei mijnheer Shanks. Hun zoektocht over het slagveld duurde minder lang dan gewoonlijk. Het was een heldere nacht. Het noorderlicht had zelfs geschenen boven hun hoofden. Een fenomeen dat normaal nooit zo ver zuidelijk zichtbaar was. Voor één keer zagen ze ongeveer waar ze liepen.

‘Trek zijn laarzen uit’ , siste mijnheer Shanks tegen de kleine Ambrose.

Hij plooide zijn meetlat en stak hem in de zak van zijn lange zwarte overjas.

‘Daar kunnen we rustig enkele honderden federale dollars voor vangen.’

We? Jij zeker, dacht kleine Ambrose. Elke dag twee borden havermoutpap, drie glazen karnemelk en een stuk of drie groene appels, meer deelde mijnheer Shanks niet met hem.

Shanks gaf hem een duw. ‘Sta niet zo te slapen. Begin er aan.’

Ambrose hurkte en taste in de zakken van de Yank. Er zat niks in. Enkel in de binnenzak zat wat. Een beetje tabak. Een halve soldatenkoek.

‘Wat heb je daar gevonden? Blijf uit zijn zakken, trek liever die laarzen uit.’

‘Alleen een beetje tabak.’

‘Geef hier. En trek nu die laarzen uit. Straks wordt het licht.’

De kleine Ambrose moffelde de soldatenkoek weg in zijn onderbroek. De enige plek waar mijnheer Shanks hem niet betaste als hij dacht dat de kleine iets verborgen hield. En dat was vaak.

De laarzen waren koud en stijf. Net als het lijk. Ze kwamen moeilijk los.

‘Wat doen we met de rest van zijn kleren?’ , vroeg Ambrose. ‘Gaat het niet opvallen dat hij een Yankee uniform heeft?’

‘De blauwe broek kan hij houden. De rebellen dragen graag de uniformbroeken van hun vijanden. Ze hebben toch altijd een groot tekort aan kleren, dus dat maakt niks uit. Zijn bovenstuk vervangen we door een grijs of een bruin vod. Hoe meer versleten, hoe beter. Zijn die laarzen al uit? Een beetje haast of morgen geen eten.’

‘Het is al morgen’ , zei Ambrose.

‘Daar heb je het. Geen eten. Dat is het loon van alle wijsneuzen. Met overbodige opmerkingen koop je alleen honger.’

Ambrose dacht aan de koek. Je wint iets, je verliest iets. Hij trok aan de linkerlaars en vloog achteruit, knal op de hardgevroren grond, met de laars in zijn beide handen.

‘En nog een stuntel ook’ , zei mijnheer Shanks. ‘Waar is het kartelmes?’

Een zenuwsteek ging door heel het kleine lijf van Ambrose.

‘Zeg me niet dat je het verloren bent!’

Ambrose taste in zijn eigen laarzen. Hij kreeg al schrik voor het pak rammel dat zou volgen. Maar nee, wacht.

‘Ik heb het daar straks toch aan u gegeven?’

‘Ach, juist ja, zeg dat dan meteen, sufkop.’

mijnheer Shanks knielde en trok het kartelmes uit zijn eigen laars.

‘Hopelijk is zijn bloed bevroren, dan houd ik mijn kleren eens schoon.’

mijnheer Shanks knielde bij het lijk en zette het mes op de nek van het lijk.

Ambrose had de twee laarzen uitgetrokken en klopte ze tegen elkaar om ze schoon te maken.

‘Stop met dat lawaai. Straks schiet een nerveuze voorpost deze richting uit, stomkop. Denk toch eens twee minuten na. Knip liever zijn bovenstuk los.’

Ambrose zette de laarzen naast zich neer. Knielde en trok een klein schaartje uit zijn rechterlaars. Hij ging schrijlings op het lijk zitten, alsof het een heel laag paard was.

‘Waarom heeft hij geen uniformjas? De Yankees zijn bij dit weer toch beter gekleed? Het is midden december.’

‘Die is al gestolen door een kouwelijke rebel, idioot. Gebruik toch een klein beetje fantasie. En zwijg nu, of ik snij nog in mijn eigen vingers.’

‘U zei dat hij volgens de brief een geboortevlek in de vorm van de kop van een vogel op de achterkant van zijn linkerdij heeft. Wat doen we daar mee?’

‘Daar zetten we later een pistool tegen.’

‘Is er geen andere oplossing? Zijn vrouw zal denken dat haar man een lafaard is als hij in zijn achterste is geraakt. En een grote lafaard. Weglopen bij zo’n grote overwinning als vandaag.’

‘Laat ze dat maar denken. Dan hoeft ze ook niet lang om hem te rouwen.’

Ambrose knipte de mouwen stuk en trok het bovenstuk weg.

‘Het onderhemd ook?’

‘Nee, laat zitten. Rebellen hebben ook ondergoed. Sommige toch.’

‘In de brief staat dat zij zelf zijn ondergoed weefde.’

‘Hmm, ja, knip het dan toch maar weg.’

‘Zal ze het niet vreemd vinden dat hij geen ondergoed droeg?’

‘Zwijg nu toch eens, kleine! Als ze zich al vragen stelt, zijn wij toch allang weer weg. Ah, eindelijk. Los.’

Mijnheer Shanks gooide het hoofd zacht weg. Ambrose kon het horen rollen over de bevroren grond. De helling af.

‘Hoe dom van de Yankees dat ze hier aanvallen. Op een helling. Met onze soldaten achter een muur. Dat is toch zelfmoord?’

‘Wat kan mij die Yankees verdommen? Die noordelijken zijn wroeters. Die zien een doel en gaan er recht op af. Dat is misschien een groot voordeel in industriële productie. Maar het is natuurlijk totaal stupide in oorlogsvoering. Geen enkele finesse.’

Mijnheer Shanks stond op. Hij torende hoog uit boven Ambrose. Vooral met die zwarte hoge hoed. In het duister leek het half ontblote en onthoofde lijk niet op een lijk, maar op een klomp sneeuw.

‘En nu moeten we hem nog op de kar krijgen. Pak zijn voeten, ik pak hem onder zijn armen. Het voordeel is wel dat hij zo koud is en dus misschien nog wel even redelijk vers blijft.’

Ambrose stelde zich voor dat hij een kruiwagen vasthield. Maar dan één die veel meer moeite kostte om in beweging te krijgen. Gelukkig stond de kar niet ver. De Yank, of wat er van overbleef, viel met een doffe bons in de houten laadbak.

‘Giet de aardappelen over hem.’

Ambrose klom op de wagen. Hij had al zijn kracht nodig om een zak aardappelen op te tillen en die om te keren en uit te gieten. Als hij drie zakken had uitgegoten en het lijk niet meer zichtbaar was, nam hij plaats op de bok, naast mijnheer Shanks.

‘Hoe is deze eigenlijk gestorven? Ik zie nergens een wonde.’

Mijnheer Shanks sloeg hem zo hard in zijn gezicht dat hij van de bok viel. De mijnheer riep:

‘Stel nog één vraag en ik laat je hier achter. Dan kan je elk lijk onderzoeken. Als je dan toch zo graag weet waar deze onnozelaars aan dood gaan. Ze gaan dood, omdat ze dom zijn.’

Ambrose twijfelde even voor hij terug op de bok klom. Zijn wangen brandden. De ene van kou en de andere nog harder, van de klap. Het slagveld zag eruit alsof de duisternis zelf ogen had en kwaaie plannen met hem had. Hij hoorde mannen kermen om hulp, om warmte, maar toch aarzelde hij een moment. Weglopen, de nacht in. Maar waar kon hij als twaalfjarige heen? Als drummerjongen bij de troep? Hij had geen enkel gevoel voor ritme. Als ze hem al in dienst namen. En bovendien dacht hij aan die kleine Yank, drie maand geleden, op het slagveld van Antietam. In twee gereten door een kanonskogel. Dan was mijnheer Shanks dienen toch nog altijd beter. En het eten in het zuidelijke leger was zo mogelijk nog slechter. Tenzij hij natuurlijk dienst nam bij het noorden, maar dat was landverraad. Hij was dan wel een wees en had geen familie, maar hij was toch hier geboren. Hij zou na de oorlog nooit meer welkom zijn in zijn geboorteland.

Als hij plaats nam op de bok, zei mijnheer Shanks: ‘Zo, je bent mijn charmante gezelschap dan toch niet beu? En ik doe nog zo mijn best om je van mij af te schudden. Je kost mij verdomme meer geld dan je mij oplevert.’

Hij sloeg de teugels over het paard. Ambrose zag de adem van het paard opstijgen. Ze zouden met een grote omweg langs de linies moeten. Vlak na een veldslag waren de soldaten snel om te schieten. En leg maar eens uit wat een zogenaamde aardappelboer in het midden van de nacht uitvreet op een slagveld. Als het wat tegenzat, zouden Zuidelijke piketten hun misschien direct executeren, omdat ze dachten dat ze lijken beroofden. Maar het was nog veel erger: ze roofden de lijken zelf.

2. Onderweg

Mijnheer Shanks keek op de kaart. ‘Godverdomme, we moeten toch eens een ander systeem bedenken. Twee weken onderweg. Voor 300 dollar. Als ik uitreken hoeveel het balsemen kost, wat ik betaal voor de kist, de annonces in de kranten, hoeveel jij mij kost, en al de tijd die erin kruipt. Nee, dat is niet goed. Daar houden we niet veel aan over.’

‘Misschien moeten we klanten dichterbij het front zoeken. Dan moeten we toch al niet reizen’, zei Ambrose, die de twee paarden kamde. Ambrose wilde altijd bezig zijn, want als hij niks deed, kreeg hij slaag.

‘Stomkop. Familie die dicht bij een slagveld woont, gaat zelf de lijken zoeken.’

‘Voelen rijke families zich daar niet te goed voor?’

‘Rijke families sturen één van hun nikkers om de lijken van hun plantagezonen, als ze dicht genoeg in de buurt wonen.’

Deze keer moest Ambrose mijnheer Shanks allicht gelijk geven. Mijnheer Shanks was uiteindelijk toch wel leep. Zijn ‘operatie’ zoals hij het zelf noemde, verliep niet slecht. Na een veldslag zocht hij in de eerste verlieslijsten of via navraag of er iemand van zijn klanten bij was. Als die op de verlieslijst stond, dood of vermist -dat wil zeggen: gevangengenomen- was, dan zochten ze een lijk dat er min of meer op leek. Zaagden het hoofd af, en dan leveren maar. Als de klant gevangengenomen was, hoorde de familie thuis daar toch lang niks meer van. Als de klant ooit weer opdook uit gevangenschap, dan was mijnheer Shanks allang weg met zijn verloning op zak. Het lijk was toch onherkenbaar. Enige afwijkingen konden ze weglullen door te zeggen dat het balsemen wel een en ander veranderde. En dat oorlog een mens toch wel erg beïnvloedde. En die families waren zo blij met hun lijk, dat ze niks zeiden.

Ambrose snapte niet zo goed waarom al die families zo noodzakelijk het lijk van hun dierbaren wilden hebben. Dood was dood. Je kon er niet meer mee praten. Maar de mensen wilden er grof geld voor betalen, dus het moest wel belangrijk zijn.

‘Ja’, zei mijnheer Shanks en hij tikte op de kaart. ‘Die weg hebben we gemist. We moeten een stuk terug en bij die kapel moeten we naar rechts in plaats van naar links. Komt ervan als ik alles altijd zelf moet doen, stomkop.’

3. De thuisbezorging

‘Hier is het’, zei mijnheer Shanks. Hij trok de paarden ruw tot stilstand en wipte van de bok.

‘Hier?’, vroeg Ambrose.

Ze stonden niet voor een grote plantage met een ijzeren toeganspoort en van die witte klassieke Griekse zuilen. Ambrose zag geen tientallen negerslaven op de velden werken. Nee, in de plaats daarvan stonden ze voor een tamelijk bescheiden hoeve. Goed onderhouden, dat wel. En zelfs met kippen. Die zag je de laatste tijd niet vaak meer. Een gewone boer heeft nochtans geen 300 dollar om zijn lijk thuis te laten bezorgen. Och ja, misschien was het een zeer succesvolle boer. Ambrose keek nog eens naar de kippen en kreeg krampen als hij dacht aan de mogelijkheid op kippensoep. Als zo’n familie hun lijk thuiskreeg, waren ze soms zeer gastvrij, bijna feestelijk goed gezind.

‘Bind de paarden vast aan die boom daar en kom mee.’

Ze wandelden samen naar de deur. Het gezicht van mijnheer Shanks zag er nu uit als van een koorknaap tussen twee hymnes door. Ambrose vond het altijd vreemd hoe snel mijnheer Shanks in zijn rol kon vallen. Mijnheer Shanks bonsde zacht op de deur. Ambrose voelde zich direct rood en warm worden van zodra de deur openging. Voor hen stond een zeer aantrekkelijke vrouw, met lang blond haar en een strak ingebonden boezem.

‘Goedenamiddag, mevrouw. Wij hebben tot nu toe enkel schriftelijk contact gehad. U heeft gereageerd op een krantenannonce. Ik heet Nathaniel Shanks. En dit is mijn zoon, Ambrose. U heeft ons vorig jaar gecontracteerd om desgeval de voorzienigheid het zo beschikte, uw echtgenoot terug in de schoot van de familie te brengen. Het spijt mij zeer dat onze Vader in de hemel het nu zo laten gebeuren heeft. Onze oprechte deelneming. Het goede nieuws is dat ik van zijn strijdmakkers heb gehoord dat hij in zijn laatste ogenblikken zijn lot aanvaardde, zijn ziel overgaf aan zijn schepper en benadrukte hoeveel liefde hij voor u voelde.’

De vrouw barste niet in tranen uit, begon niet te jammeren, viel niet flauw. Zag er ook niet verdacht blij uit -dat was namelijk ook al wel eens voorgevallen-, nee, ze bleef gewoon ijzig kalm.

‘U brengt mijn man terug? Korporaal Richard Mancey Roades? Die heeft u daar bij u zich?’

‘Wel, ja, zoals ons contract stipuleert. In het geval van het overlijden van uw man, bezorg ik u zijn stoffelijke overschot terug. Gewassen en gebalsemd. We hebben het toch wel over dezelfde Richard Mancey Roads? U bent mevrouw Emma Roades?’

De vrouw draaide zich om, naar binnen toe en zei over haar schouder: ‘Blijf nog even rustig, Dick, blijf nog even rustig.’

Ambrose voelde zijn bloed tintelen van de toppen van zijn tenen tot in de haaruiteinden op zijn hoofd. ‘Was er tovenarij in het spel?’ Misschien moesten ze het op een lopen zetten. En snel.

Mijnheer Shanks dacht er anders over.

‘Ik weet niet wat er hier aan de hand is. Maar uw man stond duidelijk aangegeven in de verlieslijsten van zijn regiment. Het 17de regiment van Noord-Carolina, compagnie B.’

De vrouw trok de doek die ze over haar schouders had gegooid strakker om haar hals. En zei: ‘Dick, misschien is het tijd om te verrijzen.’

Naast de vrouw verscheen een boomlange en heel erg springlevende Richard. Met krukken, maar toch, springlevend.

‘Mijn man is vorige week aangekomen. Direct na de slag heeft men hem op de trein naar Raleigh gelegd. En vandaar hebben ze hem per kar naar hier gebracht. Dus wie u daar ook moge vervoeren, het is niet mijn Richard.’

Ambrose was blij dat het paar vrij kalm bleef. Hij wilde liefst terug naar de kar. Mentaal zwaaide hij de kippen al vaarwel.

‘Dan is er een misverstand gebeurd, in de chaos van de veldslag weet u wel. Het is ook de fout van de regimentskapelaan die de verlieslijsten verkeerd heeft opgesteld. Maar ik heb wel kosten gemaakt.’

De echte Richard wees met één kruk naar de valse Richard in de kist op de wagen. ‘Dus daar ligt dan mijn dubbelganger?’

‘Ja, blijkbaar heeft u een dubbelganger.’

‘Mag ik hem zien? Ik kan mij niet herinneren dat ik een dubbelganger heb ik mijn regiment.’

‘Dat valt nu helaas moeilijk vast te stellen’, zei mijnheer Shanks.

‘Hoezo?’, vroeg het koppel.

‘Uw man, of de dubbelganger van uw man, is zijn hoofd kwijt. Weggeknald door een kanonskogel.’

‘Dat is vreemd’, zei de echte Richard, die naar binnen loerde, naar iets boven de deur. Ambrose voelde nog veel hardere krampen. Maar niet omdat hij nog kippensoep verwachtte.

‘Dat is vreemd’, herhaalde Richard. ‘Zeer vreemd. Ons regiment is namelijk op geen enkel moment onder artillerievuur komen te liggen. Hoe komt u er eigenlijk bij dat ik het ben in die kist? Als u geen hoofd heeft om op af te gaan?’

‘Men heeft ons zeer specifiek dat lijk aangewezen en men heeft ons op het hart gedrukt dat u het was, ja. Zeer moedig gevallen, helemaal in de voorste linies. O, die leugenaars. Waarom hebben ze nou zo tegen ons gelogen?’

‘Zij hebben gelogen?’, vroeg Richard, ‘Wie zijn ze?’

‘Nou ja, de voorposten van uw regiment, die de wacht hielden na de slag.’

‘Merkwaardig, hoogst merkwaardig.’

‘Nu goed, ik ben natuurlijk blij u in levende lijve te zien en relatief ongeschonden. Ik hoop dat die wonde niks ernstigs is. Maar er blijft natuurlijk het feit dat ik onkosten heb gemaakt.’

‘Heeft mijn dubbelganger ook een wijnvlek op zijn dij?’

‘Wel, dat is ook weer een samenloop van omstandigheden. Net daar zit namelijk een lelijke wond, die heel wat vlees heeft weggesleurd.’

‘Zeer merkwaardig alweer, hoogst merkwaardig. Gevallen in de voorste linies en toch geraakt aan de achterkant van zijn dij. Zeer merkwaardig. Alleszins zoals u dus ziet, sta ik hier levend en wel voor u. Verder kan ik u garanderen dat niemand van mijn regiment door een kanonskogel is gesneuveld. We hebben enkel jongens verloren door musketvuur. Het is ook de kogel uit een musket die mijn scheenbeen verbrijzeld heeft. Om te ontsnappen aan de beenhouwers, ben ik naar huis gekomen. Ik heb veel meer vertrouwen in de kruiden en windsels van mijn vrouw dan in de zagen van die beenhouwers.’

Mijnheer Shanks nam zijn hoed af en staarde er in, alsof hij er iets verborgen had. Zonder op te kijken, vroeg hij: ‘Maar, euh, bent u dan eigenlijk afwezig van de troep zonder toestemming? In deze krankzinnige tijden zou men zelfs een held als u namelijk nog durven aanzien als deserteur of zo.’

De man blikte weer naar iets vlak boven de deur. En keek dan zeer gemeen naar mijnheer Shanks, die in zijn hoed bleef staren.

Ambrose maakte oogcontact met de vrouw. Hij voelde zich weer warm worden vanbinnen.

Ze vroeg: ‘Mijnheer, vindt u trouwens niet dat u uw zoon al op zeer jonge leeftijd inschakelt in een nogal luguber, euhm, beroep?’

Nu keek mijnheer Shanks wel op en hij keek de vrouw strak in het gezicht.

‘Mevrouw, ten eerste, in een land waar ze elkaar sinds anderhalfjaar uitmoorden, is het woord luguber een zeer rekbaar begrip geworden, vindt u ook niet? Ten tweede heeft kleine Ambrose hier een sterke maag. En ten derde moet u niet doen alsof ik mij wil verrijken op de kap van de doden. Ik bied een dienst aan waar vraag naar is. Veel mensen zijn mij zeer dankbaar dat ik hun dierbaren veilig en wel thuis breng. En ja, daar vraag ik een financiële compensatie voor, die overigens zo armzalig is dat ik er nauwelijks mee rondkom, maar ik moet iets vragen, anders kan ik deze dienst niet meer aanbieden. Het is voor iedereen knokken. Tenzij voor die plantagehouders en die rijke industriëlen in het noorden natuurlijk. Maar dat moet ik u allemaal niet uitleggen.’

‘Voor de oorlog was ik opzichter op de plantage van de McKenzies. Hier 5 mijl vandaan. Ik kan u verzekeren dat zelfs plantagehouders van aanpakken moeten weten, anders ben je zo’n plantage ook snel genoeg weer kwijt.’

‘Goed goed, ik wilde niet onrespectvol spreken over de sociale divisies die God in zijn wijsheid voor ons heeft uitgetekend. Ik wens alleen te benadrukken dat ik onkosten heb gemaakt.’

‘Mijnheer, u zegt dat u een dienst aanbiedt. Net zoals een smid, kunnen we zeggen toch?’

Mijnheer Shanks knikte, maar nauwelijks waarneembaar.

‘Als u een zwaard bestelt bij een smid, en achteraf valt dat zwaard uit elkaar van zodra je er één slag mee uitdeelt, vindt u dan dat de smid nog het recht heeft om betaald te worden? Hij heeft immers toch ook onkosten gemaakt?’

‘Van een smid verwacht je natuurlijk dat hij zijn vak kent en een degelijk zwaard aflevert. Als hij zijn vak kent, kan er weinig fout lopen. In mijn geval was het de chaos op het slagveld…’

‘Nee, mijnheer, volgens mij bent u net als de smid in het voorbeeld zeer onprofessioneel te werk gegaan. Dat bewijst alleen al het feit dat ik hier levend en wel voor uw neus sta.’

Mijnheer Shanks zette zijn hoed weer op en trok hem zo hard neer, zoals hij dat altijd deed als hij vreselijk slecht gezind was. En dan zou hij het uitwerken op Ambrose.

‘Misschien neemt de lokale provoostofficier graag kennis van het feit dat er een deserteur in zijn district zit. Kom, Ambrose.’

Kleine Ambrose zocht nu bewust oogcontact met de vrouw. Weer kreeg hij het warm. Zijn hart bonsde sneller en sneller in zijn keel. Hij voelde een energie opbouwen in zich, in zijn benen, lang zijn rug. Toen mijnheer Shanks zich omdraaide, deed hij het. Wat had hij ook te verliezen?

Ambrose sprong tussen het koppel door naar binnen en riep: ‘Hij zaagt willekeurige lijken hun hoofd af!’

‘Godverdomme’, zei mijnheer Shanks en hij liep snel naar zijn wagen.

Maar Richard greep boven hem, boven de deur, naar een afgezaagde shotgun en riep: ‘Geen stap verder of ik knal jouw kop eraf.’

‘Godverdomme’, zei mijnheer Shanks, ‘Kleine, je herkent jezelf straks niet meer in de spiegel.’

Ambrose rook de fruitige geur van de vrouw en gooide zijn armen rond haar middel en drukte zich tegen haar rug aan.

De vrouw reikte achter zich met haar armen en legde haar handen op zijn schouders. Ambrose had zich nog nooit zo vol gevoeld, ja, vol was het woord. Hij hoorde mijnheer Shanks roepen, maar zelfs dat kon geen afbreuk doen aan het volle gevoel.’

‘Ambrose, godverdoms rotjong, kom hier!’

Maar Ambrose begroef zich enkel maar dieper in de vele rokken van de vrouw. Hoe harder hij zich tegen haar aandrukte, hoe voller hij zich vanbinnen voelde. Hij hoorde hoe mijnheer Shanks plaats nam op de bok. ‘Ambrose, laatste kans. Denk heus niet dat die lui zich over jou gaan ontfermen. Ze droppen je in een stinkend weeshuis waar je crepeert aan pokken, roodvonk of tyfus, hoor je mij?’

Ambrose antwoordde niet. En even later hoorde hij de paarden in beweging komen.

De vrouw vroeg: ‘Dick, je bent toch gewond, hoe kan je dan een deserteur zijn?’

‘Nee, in principe ziet niemand mij aan als een deserteur. Ik heb ook een pas van de kolonel. Hij heeft nog een poot minder om op te staan dan ik. Geen enkele dus.’

‘Waarom kijk je dan zo bezorgd?’, vroeg ze. En tegelijk vroeg ze aan Ambrose of hij honger had. Hij wilde doodgraag van ja zeggen, maar was bang om onbeleefd te zijn en naar een weeshuis te vliegen. Dus zei hij: ‘Nee, mevrouw, dat gaat wel.’

‘Je liegt’, zij de vrouw. Ambrose schrok, want hij wist niet of ze nu echt kwaad was of het alleen maar speelde.

Ambrose staarde naar de grond. De vrouw trok hem mee naar de keuken. Tegen haar man zei ze: ‘Als zeker is dat je geen deserteur bent, waarom kijk je dan zo bezorgd?’

‘Dat soort charlatan werkt op mijn zenuwen. Misschien had ik hem beter afgeknald.’

‘Dat was dan moord geweest’, riep de vrouw vanuit de keuken naar haar man, die in de deuropening bleef staan.

‘En doe nou eindelijk die deur dicht en ga terug naar bed. Als je bovenop die wonde nog een longontsteking krijgt ook, krijg zelfs ik je misschien niet meer beter.’

4. De rekeningen vereffenen

Mijnheer Shanks was niks als hij niet koppig was. Tegen de avond stond hij daar al terug. Met de provoostofficier. De officier die deserteurs moest vatten en terug naar de linies brengen, voor een sanctie. Meestal was het ergste wat hen overkwam dat ze terug moesten vechten. Maar men kon hen ook wel executeren of hun wang brandmerken met de ‘D’ van deserteur. Dus Emma was helemaal niet tevreden met die aantijging.

De provoost bonsde op de deur. ‘Dick, maak even open, kerel. Je kent mij, als je niks hebt mispeuterd, heb je ook niks te vrezen.’

Ambrose hoorde alles terwijl hij in een badkuip zat. Emma -hij mocht Emma zeggen, stel je voor- stond er op om zijn kleren te wassen en hem in bad te stoppen. ‘Je bent zo mogelijk nog vuiler dan de kinderen van de familie Murry.’

Hij kende de familie Murry niet, maar de manier waarop haar neus krulde, wilde vast betekenen dat de familie Murry niet van de properste was.

Nu mijnheer Shanks terug was, kreeg hij het ijskoud, zelfs in dat hete bad. Hij wenste vurig dat hij op zijn minst zijn kleren terug had, zodat hij op zijn kon vluchten, desnoods via het raam. In zijn nakie zou hij het ’s nachts buiten misschien niet overleven. En was dat niet tegen een gebod? Doe niet wat onkuisheid is. Voor naakt rondlopen, ging je vast wel naar de hel. Minstens vagevuur.

‘Billy’, zei Richard, ‘Je kent mij ook. Ik ben geen deserteur, dus maak dat je wegkomt.’

Ambrose vond het vreemd dat hij de provoost zomaar met zijn voornaam aansprak. Die Richard had blijkbaar als opzichter nogal wat status. Wat was dat eigenlijk? Een opzichter?

‘Richard, doe nou gewoon even open en toon me je pas.’

‘Ik kan je mijn kapotgeschoten been tonen ook, hoor. Is dat niet genoeg? Heb jij al kogels opgevangen voor onze Geconfedereerde Staten van Amerika?’

‘Neen, die eer is mij nog niet te beurt gevallen. Doe nou gewoon even open. Dan handelen we dit af. De mijnheer hier zegt ook dat je een knecht van hem hebt gestolen.’

‘Volgens zijn vorige versie was het nochtans zijn zoon. Shanks & Son stond er in de advertentie.’

‘Van een advertentie weet ik niks. Doe nou even open, dan klaren we dit gelijk uit.’

Ambrose hoorde de deur met een smak openzwiepen. Maar het was de stem van Emma die hij hoorde.

‘Mijn man is gewond geraakt in de moeilijkste strijd voor het overleven van onze natie en dan moet jij hem komen lastig vallen, Billy. Schaam je.Wacht tot ik zondag je moeder spreek.’

‘Ja, maar, Emma, serieus, die mijnheer hier komt met zeer ernstige aantijgingen. Het is toch gewoon een klein routineonderzoek, meer niet?’

‘Hou het dan kort. Hier, de pas die kolonel Braightsmith voor Richard heeft geschreven. Ruik je ook graag eens aan de wonde? Dan is je neus ook meteen overtuigd.’

‘Emma, kalm nou. Die pas ziet er goed uit. Zie je? Niks aan de hand. Mijnheer Shanks, u ziet zelf dat het hier dus inderdaad niet om een deserteur gaat.’

‘Dan zijn er wel nog de kwestie van de onkosten en de kwestie van de jongen’, zei mijnheer Shanks.

‘Ja, maar’, zei de provoost, ‘ik ben enkel bevoegd voor het inrekenen van deserteurs. Met die andere klachten kan ik u niet verder helpen.’

‘Goed, bij wie moet ik mij daarvoor wenden?’

‘Bij de rechter. Maar die is er niet. Die zit in de hoofdstad voor zaken. Emma, nogmaals mijn excuses, ik kom bij gelegenheid nog eens langs. Richard, heel veel beterschap.’

‘Dat is het dan? Dit is gerechtigheid in de Confederatie?’

Niemand antwoordde. Mijnheer Shanks begon te schreeuwen.

‘Ambrose, ik tel tot tien, maak dat je hier buiten staat. 1, 2, 3,…’

Ambrose klampte zich met zijn handen vast aan de randen van het bad en zette zich schrap.

‘…10.’

‘En nu?’, hoorde hij Emma zeggen.

‘Geef mij mijn zoon terug.’

‘Knecht, zoon. Wat zal het zijn? Ik zie opvallend weinig gelijkenis tussen jullie beiden.’

‘Kijk, mevrouw. Als u het dan graag hard speelt. Ik zal inschikkelijk zijn. U betaalt mij slechts de helft van de normale prijs voor de vracht. Dat is 150 dollar. En dan nog eens 150 voor de kleine. Dat maakt 300 dollar. Dat is geen cent meer dan de oorspronkelijke vraag. En geen cent minder ook. Dat lijkt mij een zeer mooi compromis. En u heeft er een knecht bij. Normaal kost die veel meer.’

‘Die kleine was dan wel zeer zwart, maar het was toch geen neger. Hij zit in bad, dus ik weet nu wel zeer zeker dat het geen neger is. Dus ik vrees dat u die niet zomaar kan versjacheren. Op onwettige slavenhandel staan trouwens vrij zware straffen. Nu moet u weten dat onze rechter in tegenstelling tot onze provoost geen onbeschofte idioot is die pas van de moederborst is. Dus als u nog iets geeft om uw armzalige bestaan, zou ik hier als de bliksem vandaan komen. Ja?’

Ambrose hoorde een tijd niks meer. Hoorde dan weer paarden en het dichtslaan van de deur.

Even later kwam Emma terug het badhuis binnen. Met schone kleren.

‘Ik zag meteen dat je dezelfde maat hebt als onze George.’

George?

Als Ambrose de volgende dag achter het huis een klein graf zag, schaamde hij zich. Want het zicht van het graf maakte hem nog tien keer zo blij dan mijnheer Schanks die een geschikt lijk zag liggen.
De kans dat ze hem naar een weeshuis zouden sturen, was bijzonder klein. Misschien wel onbestaande. En Ambrose begon Emma uit te spreken als Em-ma. Met veel nadruk op ma. Tot hij na enige weken gewoon nog ma zei. In tegenstelling tot mijnheer Shanks had Ambrose maar één lijk nodig om het te maken in de wereld.

Den Jimmy ligt daar

Geconfedereerde vuurlinie

Geconfedeerde vuurlinie

20 augustus 1864, nabij Petersburg, Virginia.

‘Als hij niet direct stopt met kermen, knal ik hem zelf af’

Big John begon al te mikken. De enige die de ogen van een eekhoorn kon uitschieten op een paar honderd meter.

Sergeant Robert ‘Grumble’ Jones sloeg zijn loop tegen het gras. En gooide losse grond in het gezicht van Big John.

‘Je knalt die kleine helemaal niet af.’

‘Dat doen de Yanks wel, hij ligt daar open en bloot tussen de lijnen. Dat haalt hij nooit’, zei Charles, die er bij lag alsof ze lekker aan het zonnen waren. Hij zoog zoals gewoonlijk op het klokhuis van een appel, die hij drie dagen geleden al had opgegeten.

‘Appelzuiger, die Yanks zijn leep, veel leper dan je denkt. Ze gaan hem zeker geen genadeschot geven. Ze willen juist dat één van ons zo dom is om hem te gaan redden. En dan krijgt die ook lood in zijn bast.’

Ondertussen bleef Jimmy, ocharme 16 jaar, kermen en schreeuwen om water.

‘Waarom hebben gewonden eigenlijk altijd dorst?’, vroeg Jubal.

‘Weet ik veel’, zei de sergeant.

‘Ik heb altijd dorst’, zei Big John.

‘Jij bent dan ook permanent gewond’, zei Charles, op zijn rug, met zijn handen gevouwen over zijn buik, zijn hoed over zich gezicht. En maar zuigen op dat klokhuis.

‘Hoezo?’, vroeg Big John. ‘Ik ben dit jaar nog niet gewond geweest’.

Alle drie vorige jaren wel natuurlijk, Big John, was, euhm, sja, een big target.

‘Je hebt een gigantisch kogelgat daar waar je hersenen moeten zitten’, zei Charles, alsof hij het in zijn slaap zei.

Big John trok een zeer big bowie knife uit zijn laars en kroop al naar Charles, maar de sergeant hield zijn sabel tussen Charles en Big John. ‘Ons uitmoorden, dat laten we over aan de Yanks, juist?’

‘Juist’, zei Big John.

‘Water, God almighty, please some water’, kermde Charles verder.

‘Right, is er dan echt geen manier waarop we hem tenminste water kunnen gooien of zo?’, vroeg Big John.

‘Plots zoveel medelijden?’, vroeg Charles.

‘Die kleine maakt mij horendol met zijn gekerm’, zei Big John.

‘Komt ervan als je kleuters oproept voor de vleesmolen’, zei Charles.

‘De Confederatie rooft de kribben en de kerkhoven leeg om nog wat mankracht in de rangen te brengen. Geen wonder dat Lord Jesus ons zo op de proef stelt’, zei Jubal. Die zocht aan de overkant een blauw doelwit, ginder bij de bossen, maar hij vond er geen enkel. Zij vonden hem echter wel. Als hij te bruusk bewoog, floot er een minié-kogel tegen de boom waarachter hij zat verscholen. Die minié-kogels konden redelijk accuraat een doelwit raken op 400 meter afstand. En zo eentje had Jimmy geraakt in zijn buik.

‘We moeten terug bij de rest van de compagnie raken’, zei de sergeant.

‘Als we recht staan, zijn we er direct aan’, zei Big John.

‘Jij wel, ja’, zei Charles, die nog altijd lag te relaxen.

Het bowiemes kwam terug uit de laars. De sabel van de sergeant kwam terug tussen de twee. Het bowiemes ging terug in de laars. Jimmy bleef kermen om water. En voor wie heel goed luisterde: om zijn moeder. Maar zo goed wilde niemand luisteren.

‘Wat doet zo’n kind ook op een slagveld?’, vroeg Jubal.

‘Dat kind heeft er de voorbije weken meer omgelegd dan jij’, zei Charles.

‘Mijn ogen zijn niet zo goed,’ zei Jubal.

‘Aarsgaten en excuses heeft iedereen’, zei Charles.

‘Ik weet niet wat irritanter is, dat gekerm van die kleine of dat gezuig op dat klokhuis van jou’, zei Big John.

Charles begon extra luid te smakken.

De sergeant voelde dat hij dringend met een beslissing moest komen, een oplossing, een actie, iets van initiatief, maar hij wist niet wat. Die kleine laten liggen, dat kon hij toch niet maken? En er iemand achteraan sturen ging ook niet. Dan was hij er nog één kwijt. Zelf gaan was een optie. Dan werd hij wel omver geknald, maar dan had hij tenminste een eervolle beslissing genomen. Hij fantaseerde al half bitter, half trots de brief bij elkaar die de kapitein van compagnie F zou sturen naar zijn familie. Misschien werd hij postuum wel bevorderd tot tweede luitenant. Hij zou dan tenminste verlost zijn van dit totaal onbestuurbaar zootje ongeregeld. Hij zette zich schrap, kwam ocharme tien centimeter boven het gras uit en er schreeuwde alweer zo’n stuk lood boven zijn kop. Het leek op een hinnikende hysterische lach van een tandeloze ouwe bomma. Dan maar liever niet. Er moest toch een mini beetje kans zijn op succes. God de Vader was zeker niet gediend met iets dat alle schijn had van zelfmoord.

‘We sluipen misschien toch beter weg’, zei de sergeant.

‘Ach zo, we laten die kleine rotten’, zei Charles.

‘Laat mij hem dan tenminste afmaken’, zei Big John.

De sergeant vloekte inwendig.

‘Gewoon wat water, please, God, please’, zei Jimmy. Eindelijk in staat tot iets wat in de buurt kwam van een volzin.

En dan was het eindelijk stil.

‘Is hij dood?’, vroeg Jubal.

‘Ik hoop dat hij op zijn minst zijn bewustzijn is verloren’, zei de sergeant.

‘In die bakkende augustuszon sterft hij nog eerder van een zonneslag dan van dat buikschot’, zei Charles.

‘Hoe weet je dat het een buikschot is?’, vroeg Big John.

‘Ik hoor het aan zijn stem’, zei Charles. ‘Na al die jaren kan ik een wonde lokaliseren, puur op basis van het stemgeluid van de gewonde.’

‘Waarom moet jij er eigenlijk bij liggen alsof het hier een picknick is?’, vroeg Big John.

‘Wat moet ik dan doen? Op onzichtbare doelwitten schieten zoals Jubal? Lood van onze glorieuze Confederatie verspillen? Mij laten afknallen om een half dooie kleine te redden, die hier nooit had mogen zijn?’

‘Ssst’, zei de sergeant. ‘We moeten iets doen.’

‘Te laat, sergeant. Je hoort hem niet meer, hij is dood’, zei Charles.

‘Dan heeft hij een uur liggen afzien voor niks. Als ik hem direct een kogel in zijn voorhoofd had…’

‘We hebben de laatste drie maanden een paar tienduizend man verloren door de Yanks, we gaan ze echt niet nog een beetje helpen ook, gesnopen?’

Big John had niet echt de gelaatsuitdrukking die zei dat hij daar volkomen mee akkoord was.

Jubal vroeg vanachter zijn boom of het niet beter was om aan te vallen?

‘Met ons vier?’, vroeg de sergeant. Met zo’n stem in zijn klank, alsof hij Jubal misschien toch wel zelf wilde neerknallen.

‘Kijk, ik denk dat we beter opkrassen’, zei Charles vanonder zijn hoed. ‘Voor Jimmy kunnen we niks meer doen en als we hier blijven gaat één van die Yanks vroeg of laat mazzel hebben en er nog één van ons omleggen. En hij is trouwens toch dood. We horen hem niet meer.’

Daar kon de sergeant mee leven. ‘Goed, dan gaan we maar eens heel voorzichtig op zoek naar onze compagnie. Maar houd jullie hoofd laag, want die vervloekte scherpschutters worden beter en beter.’

‘Betere wapens’, zei Charles. ‘Geef mij één van hun geweren met telescoop en ik leg hen ook om’. Hij zette zijn hoed terug om en hing voorzichtig zijn geweer over zijn rug. Daarna begon hij al naar achter te kruipen.

Als ze alle vier in beweging waren, op hun ellebogen, als slangen, hoorden ze terug ‘water’, van Jimmy.

‘Verdorie, het is wel een taaie kleine’, zei Charles, die zich al terug omdraaide.

‘En nu?’, vroeg Big John.

‘We kunnen op zijn minst ergens water zoeken en hem een veldfles gooien’, zei de sergeant.

‘Ik wil wel gaan’, zei Jubal.

‘Maar wel terugkomen he, sluwe vos’, zei Big John.

‘Hey, ik ben wel geen lafaard, he’

‘Godverdomme, stop met dat onnozel geruzie’, zei de sergeant. ‘Geen wonder dat de Yanks op een paar kilometer van onze hoofdstad staan, als we zo dwaas onder elkaar vechten. Jubal, ga om water en maak dat je snel terug bent.’

Jubal liet zijn geweer achter om sneller te kunnen zijn. En misschien als bewijs dat hij nog terug ging komen.

‘Die zien we niet meer weer’, zei Big John. Om toch iets te doen, blonk hij zijn geweer op met een zakdoek.

‘Je moet nu vooral je geweerloop opblinken’, zei Charles.’Hoe meer die glinstert in de zon hoe makkelijker die Yanks een kogel door je giraffennek boren.’

En weer dat bowiemes uit de laars. Gevloek van de sergeant. Mes terug in de laars.

‘Stop ermee, stop ermee, stop ermee,’ zei de sergeant en hij schoot naar voren, kroop op zijn ellebogen richting Jimmy.

‘Daar zijn we dan ook vanaf’, zei Charles, die al terug met zijn hoed over zijn gezicht ging liggen.

‘Je pakt nu direct je geweer en je geeft dekkingsvuur of ik knal persoonlijk je kop eraf’.

‘Sjonge, jonge, en dat allemaal voor een kleine die thuis had moeten blijven bij zijn moeder in Tennessee.’

Ze gingen elk op hun knieën achter een boom zitten en schoten richting de bossen aan de overkant.

‘We raken echt geen kat’, zei Charles.

‘Het is beter dan niks’, zei Big john, die een zakje buskruit openbeet met zijn tanden en een kogel in de loop van zijn Engelse Enfield-geweer ramde.

Kogels sloegen in op de boomstammen.

‘Zolang ze naar ons schieten, heeft de sergeant kans’, zei Big John.

‘Zo tuk op onze sergeant, zeg? Dat had ik nou nooit in jou gezien’, zei Charles terwijl hij op het groen aan de overkant mikte.

‘Hou je kop en schiet.’

‘Kan iemand dan eindelijk eens antwoorden op de vraag waarom zo’n kleine die nog geen baardgroei heeft in deze vleesmolen zit? Als hij nu doodgaat, is hij nog nooit met een vrouw geweest’, zei Charles, die makkelijk drie schoten per minuut haalde, ook al was het laadproces zeer omslachtig. Drie jaar ervaring in het leger van Noord-Virginia zorgde daarvoor.

‘Hij gaat gegarandeerd recht naar de hemel’, zei Big John. ‘Is dat geen voordeel?’

‘Dan moeten we maar hopen dat ze in de hemel zeer gewillige vrouwen hebben.’

‘Hou je kop, heiden. De sergeant is bij hem.’

‘Ja, en nu? Als hij rechtstaat, is hij direct lek’

‘Blijf schieten’

Ze hadden elk ongeveer honderd patronen, dus ze konden nog wel even verder.

‘Goed, nu zitten er dus twee vast tussen de lijnen. Eén kind en één idioot die de held wil uithangen.’

‘Hou je kop. Ik haat jou nog meer dan de Yanks, hoor je mij?’

‘Gewoon voor de duidelijkheid: als iedereen zou zijn zoals mij, zouden we niet met deze oorlog zitten’, zei Charles.

‘Maar niet iedereen is zoals jij’, zei Big John. ‘God zij dank’.

‘Ik zweer het je, er zou geen oorlog zijn als iedereen was zoals ik. Ik heb geen slaven, het maakt mij niks uit of de Confederatie wel of niet onafhankelijk is, ik wil mij niet verrijken op de kap van de miserie van anderen. Ik wil geen kinderen in een uniform hijsen en naar het front sturen. Doe ik allemaal niet aan mee.’

‘Waarom ben je hier dan nog? Waarom ga je dan niet gewoon naar huis?’, vroeg Big John.

‘Ten eerste: officieel worden deserteurs geëxecuteerd. In de praktijk meestal niet, maar je weet toch maar nooit. Ten tweede: ik krijg hier op zijn minst een beetje eten, om weinig te doen. Alleen op tijd dekking zoeken en wat lood naar de andere kant sturen. Ten derde: ik moet eerlijk zeggen dat ik curieus ben hoe het afloopt. Ten vierde: ik heb altijd meer sympathie gehad voor David, dan voor Goliath. Dus ergens hoop ik dat de Confederatie mag winnen, maar vraag me niet waarom, God kan niet aan onze kant staan, met die slavernijkwestie. Ten vijfde: Als de oorlog gedaan is, willen de vrouwen niks te maken hebben met iemand die zich tijdens de oorlog laf heeft gedragen.’

‘Hoerenjong. Je snapt niks van vrouwen. Na de oorlog zijn er nog zo weinig mannen, dat zelfs jij kans maakt om eens een keer tussen een paar vrouwenbenen te eindigen. Ze zal niet eens zo’n geweldige baard hebben, misschien alleen maar een snor. Misschien heeft ze zelfs borsten. Haha.’

‘Big John, ze zeggen wel eens dat zeer lange mannen, vaak zeer klein zijn op andere plaatsen, is dat zo?’

‘Hou je kop. Waarom keert de sergeant godverdomme niet terug? Wat ligt hij daar nou te doen?’

De sergeant wist niet waar hij het meeste last van had: het gekerm van Jimmy of de kogels van de Yanks die als hongerige gieren vlak boven zijn hoofd vlogen.

‘Met wat hij hier te eten krijgt, weegt die kleine natuurlijk zo goed als niks’, zei Charles, ‘misschien kan hij hem op zijn rug nemen en toch nog kruipen?’

‘Misschien’

De sergeant probeerde dat, maar dat viel tegen. Als hij Jimmy in veiligheid wilde brengen, dan moest hij hem over zijn schouder gooien en zo snel mogelijk naar achter rennen. De kans dat hij het er ongeschonden vanaf bracht was nagenoeg nihil. En de kans dat Jimmy extra kogels opving, was zeer groot. Hij kon Charles en Big John natuurlijk het bevel geven om aan te vallen en dus de aandacht van de Yanks af te leiden. Maar dat was dan geen bevel, dat was moord. En waarom zouden zij moeten sterven om Jimmy te redden? Het recht van de jongste? En de kans was sowieso al niet groot dat Jimmy het kon overleven. Zo’n buikschot was meestal toch dodelijk.

‘Ssst, we hebben water; Jubal is om water, dus zwijg alsjeblieft, goed? Er komt water. Echt, straks komt er water, dus zwijgt alsjeblieft’

De sergeant trok Jimmy naar zich toe. Jimmy schreeuwde van pijn. De sergeant keek naar de wond. Hij kon niet beoordelen of er vitale organen waren geraakt. Misschien niet, anders was hij al dood. Hij duwde Jimmy’s handen tegen de wond. ‘Hou je handen daar’, zei de sergeant. Tegen het bloeden.

De sergeant dacht nu dat hij wellicht wel kon wachten tot het donker was om Jimmy naar achter te brengen. Maar die Yanks konden er ook niet blijven naast schieten. Hij overwoog de oplossing van Big John; de kleine de genadeslag geven, en weer terug kruipen. Zijn sabel had hij achtergelaten, maar hij had net als Big John een bowiemes in zijn laars. Zou hij de kleine zijn keel oversnijden? Hij kon hem zo toch niet laten liggen? Hij haalde zijn mes boven. Jimmy zweeg eindelijk en keek met grote ogen naar het mes. De sergeant schrok ervan. Niet omdat Jimmy bang leek, maar omdat hij bijna opgelucht keek naar het mes. En net als Charles vroeg hij zich af wat zo’n kleine eigenlijk op een slagveld deed.

Met het mes tilde de sergeant het hemd van de kleine op om nog eens goed te kijken naar de wond. Veel bloedverlies. Lelijk gat. Waarschijnlijk waren zijn onderste ribben versplinterd ook. Straf dat hij nog leefde. Taaie kleine.

En dan hoorde hij iets als splotsj. De sergeant dook met zijn hoofd in de grond, zodat er aarde in zijn neus kwam te zitten. Godverdomme, de kleine had er nog een wond bij. In de kuit van zijn linkerbeen. De kleine vroeg niet meer om water maar jammerde van miserie. De sergeant kon het niet meer aan zien, krabbelde overeind en gooide Jimmy over zijn rug. Hij liep terug naar Charles en Big John. Die twee vergaten hun eigen dekking en kwamen vanachter hun bomen en schoten. Drie ballen per minuut. Sneller vuren kon niet. Als hij er bijna was, voelde de sergeant een gloeiend hete beet in zijn schouder. Het deed minder pijn dan hij verwacht had. Hij liep verder en gooide Jimmy neer achter de bomen. Daarna viel hij zelf neer, op zijn buik. Met de typische dorst van elke gewonde. Hoe kon hij plots zo’n dorst hebben?

Jubal was net op tijd terug. Met water. Uit een of andere beek. Die een verdachte, roestige kleur had.

‘Er hebben er, vrees ik, liggen in bloeden, maar het is het dichtste bij water dat je hier in de buurt kunt vinden.’

‘Bloed?’, vroeg Big John.

‘Ja’, zei Jubal, ‘er zijn nogal wat gewonden die zich naar de beek hebben gesleept en daar gecrepeerd zijn. Dus ja, er is wel wat bloed in de beek geraakt ook.’

‘Zwijg’, zei Big John.

‘Awel, big guy, kunt ge daar niet tegen?’, vroeg Charles. ‘Kom, geef die twee te drinken en laat mij dan ook eens drinken.’

‘Dat is toch vampirisme?’, vroeg Big John.

‘Awel ja,’ zei Charles, ‘als we veranderen in vampieren moeten we niet meer bang zijn van de Yanks’.

Ze waren allemaal gestopt met schieten. De Yanks waren het ook eindelijk beu.

‘Pas op dat ze niet chargeren nu’, zei de sergeant.

‘Ssjtt, sergeant, die Yanks komen niet, die zijn te laf. Die schieten lekker veilig van ver. Die komen echt niet dichter. Ssjtt, maar’, zei Charles. ‘Het wordt nu wel tijd dat we de rest van de compagnie zoeken’, zei hij tegen de rest. ‘Of wat daar van over is. En dat allemaal voor een stuk spoorweg.’

Maar het was niet zomaar een stuk spoorweg. Het stuk spoorweg was de enige rechtstreekse lijn naar Petersburg. Een stadje vlak onder de hoofdstad van de Confederatie. Een spoorwegknoopunt. Als Petersburg viel, dan werd Richmond, de hoofdstad, van de Confederatie afgesneden van de rest van het land. Dan was de val van de hoofdstad zeker. En dat zou een internationale weergalm geven. Geen enkele Europese mogendheid zou nog geloven in de kansen van de Confederatie. Dat deden ze nu al haast niet. En het land zou in een diepe depressie vallen. En dus, toen enkele duizenden Yanks zich op die spoorweg stortten, trokken een aantal uitgedunde geconfedereerde brigades in de tegenaanval. Met redelijk succes. Met redelijk succes, tenzij je ’t vraagt aan Jimmy, aan de sergeant en aan die honderden anderen die vanavond geen avondeten meer nodig hebben.

‘Goed’, zei Charles, ‘Big John, jij draagt de kleine en Jubal en ik zullen de sergeant dragen.’

‘Ik kan stappen,’ zei de sergeant. Hij kroop overeind en viel dan weer neer. Te duizelig. Misschien niet zozeer van de wond, als wel van uitdroging. De laatste keer dat ze iets gedronken hadden, was de nacht tevoren. Al minstens acht uur zonder een drup water. En het was bakken in de zon.

‘Die Yanks komen echt niet’, zei Charles. ‘Die hebben voor vandaag weer genoeg klop gekregen.’

‘Die Grant van hun weet wel van geen ophouden’, zei Big John. ‘Morgen hamert hij gegarandeerd weer op onze linies. En hoeveel we er ook naar de kloten helpen, er komt toch altijd weer nieuw volk. Je vraagt je af waar ze de motivatie halen. Wat kan het hun schelen of de nikkers vrij zijn of niet? Ze hebben er zelfs nadeel bij. Vrije nikkers kunnen hun werk afpakken.’

Charles inspecteerde de wonde van de sergeant en zei: ‘Het gaat hen niet om de zwartjes. Het gaat hen om democratische principes.’

‘Hoezo?’, vroeg Jubal. Big John was al terug druk bezig met schieten op het bos aan de overkant. Je wist maar nooit.

‘Ik zeg dat het hen te doen is om democratische principes. Waarom denk je dat de koninkrijken van Europa ons een beetje laf steunen, niet al te openlijk, maar toch een beetje? Omdat ze iets tegen de zwartjes hebben? Hebben ze daar soms nog slavernij?’

‘Nee’, zei Jubal. ‘In Engeland en zo hebben ze de slavernij allang afgeschaft.’

‘Ik denk zelfs niet dat ze daar ooit echte slavernij gekend hebben, maar, whatever, dat doet er niet toe? Het punt is dat die Europese koningen maar al te graag zouden zien dat ons democratisch experiment mislukt. En geef toe, we hebben onze uiterste best gedaan om het te doen mislukken.’

‘Maar dat klinkt alsof je de Yanks gelijk geeft’, zei Jubal.

‘Onze liefste Charles is een verwaaldeYank, snap je dat nu pas?’, vroeg Big John.

‘Gelijk? Technisch gezien wel. Dit land is een democratie en een meerderheid van de gerechtigde kiezers wilde niet dat de slavernij zich nog verder uitbreidde. Afschaffen was wellicht een brug te ver, maar uitbreiding van slavernij wilden de meesten niet. En een minderheid, wij zuidelijken, konden zich niet neerleggen bij die keuze en dus zijn we het maar direct afgebold. Met als gevolg dat de slavernij niet alleen geen uitbreiding krijgt, maar in het geheel is afgeschaft. Als ik op school goed heb opgelet, heet dat ironie.’

‘Die in het noorden, ook al zijn ze met meer, hebben ons toch niet te dicteren wat wij met onze nikkers doen?’, vroeg Jubal.

‘Onze nikkers? Onze nikkers, Jubal? Hoeveel slaven heb jij dan?’, vroeg Charles.

‘Geen enkele. Maar het gaat om het principe. Misschien heb ik er ooit wel.’

‘Weet jij wel hoeveel een gezonde zwarte kost?’

‘Ja, maar je weet het nooit. Misschien krijg ik die som wel bij elkaar gespaard.’

‘Dat geloof je toch zelf niet? Hoeveel land heb jij? Hoeveel?’

‘Je weet nooit of ik niet eens geluk heb.’

‘Haha, je bent een dromer. Ik heb altijd sympathie gehad voor dromers. De hele Confederatie is het werk van dromers. Ik wou dat ik ook kon dromen.’

‘Blijven jullie palaveren?’, vroeg Big John, de enige die nog deed waar ze voor gekomen waren. Lood sturen richting de overkant.

Jimmy zei niks meer. Hij lag te rillen van de kou. Het was nochtans tropisch warm. Charles trok zijn tuniek uit en gooide die over de kleine.

‘Waarom heeft hij nu zo’n kou?’, vroeg Jubal.

‘Geen idee. Door al dat bloedverlies?’

De sergeant probeerde weer op te staan, maar viel toch weer neer.

‘Kalm, sergeant, rustig’, zei Charles. En tegen de anderen: ‘We moeten ze naar het veldhospitaal brengen of ze zijn er allebei geweest.’

‘Ik blijf wel hier’, zei Big John. ‘Dan krijgen ze het aan de overkant niet in hun bol om de achtervolging in te zetten.’

‘Waarom laat de rest ons hier eigenlijk stikken?’, vroeg Jubal.

‘Met dat soort vragen komen we nu nergens’, zei Charles. ‘Kom, pak jij de kleine, ik probeer de sergeant mee te krijgen.’

Jubal droeg de kleine in zijn armen. Charles trok de sergeant recht bij zijn goeie arm, sloeg die om zijn hals, en trok hem verder. ‘Je weet zeker dat je blijft, Big John?’

‘Yup, maak dat je wegkomt.’

Big John haalde nog maar eens de trekker over.

En toen viel het iedereen op dat het plots heel erg stil was.

‘Ik denk dat je er één hebt’, zei Jubal.

‘Of het is een lepe truc van de Yanks?’, zei Charles. ‘Het zijn niet zo’n vechters als wij, maar ze zijn verdomd geniepig.’

‘Nee, ik denk echt dat ik er één heb’, zei Big John.

‘Dat droom je maar,’ zei Charles.

‘Luister dan. Het is plots wel heel stil.’

‘Nou, des te beter dan. We moeten die twee hier naar het veldhospitaal brengen. Ach, godverdomme.’

‘Wat, Charles?’, vroeg Jubal. ‘Wat is er?’

‘De sergeant is dood.’

‘Van een schot in de schouder?’

‘Heb je wel gezien hoeveel bloed die verloren heeft?’

‘Ja, zeg, verdomme.’

‘Maak dat je wegkomt met de kleine’, zei Charles tegen Jubal.

Jubal had de kleine allang terug neegelegd, maar nam hem nu terug op en ging er vandoor, zo snel als hij kon. ‘Komen jullie dan niet mee?’, vroeg hij zonder om te kijken.

Hij kreeg geen antwoord.

Charles stak de kepie van de sergeant op zijn bajonet, ging naar voren en zwaaide er mee vanachter een boom. Er kwam geen schot.

‘Het is een truc’, zei Big John, ‘ze zijn er nog.’

Charles zei: ‘Ze zei clever, maar ook weer niet zo heel erg clever. Misschien was het maar één scherpschutter. En ofwel heb je die geraakt ofwel zit die zonder munitie ofwel had ie honger en is hij weg’

‘Laat ons dan ook teruggaan’, zei Big John. ‘We hebben hier niks meer te zoeken’.

‘Die smeerlap heeft er twee van ons te grazen genomen, wil je niet zeker weten of wij hem ook te grazen hebben?’

Big John veegde het zweet van zijn voorhoofd.

Charles laadde zeer zorgvuldig zijn geweer en bevestigde zijn bajonet aan zijn geweer. ‘Ja, maar helemaal zeker weten we het pas als we gaan kijken’.

‘Ja, maar waarom zouden we gaan kijken? Jij geeft toch geen ene sikkepit om deze oorlog?’

‘Het is waanzin dat er oorlog is. Maar noem het sentimentaliteit, ik heb toch liever dat wij winnen dan zij. En om te winnen moeten er veel meer dood gaan aan hun kant, dan aan onze kant.’

Charles wandelde naar voren. Big John gaf hem dekking en schoot naar de overkant. Als er geen enkele reactie kwam, volgde Big John toch maar in de voetsporen van Charles.

Er kwamen geen schoten meer. De twee wandelden zeer voorzichtig door de het stuk bos aan de overkant. Niemand te zien. Geen reactie.

Tot ze eindelijk op een blauwe stootten.

‘God almighty, die is even oud als onze Jimmy’, zei Big John.

‘Godverdomme, wat doen we daar nou mee?’, vroeg Charles.

De kleine in het blauw, was ongeveer zo oud als de kleine in het grijs. Hij was niet geraakt in zijn buik, maar hoger, in zijn long. Hij lag te reutelen en naar adem te happen.

‘Nou, wat doen we ermee?’, vroeg Big John. ‘Geef ik hem een genadeschot?’

‘Wat heb jij eigenlijk met genadeschoten? Als we iets van genade kenden, zouden we niet jarenlang elkaar uitmoorden.’

‘Stop nou twee minuten met filosoferen. We kunnen hem toch niet zo laten lijden?’

‘Ja, weet je, knal hem dan af.’

Big John mikte op het hoofd van de kleine in het blauw, in geen geval ouder dan zestien of zeventien. De kleine sloot zijn ogen.

Maar Big John liet zijn geweer zakken.

‘Godverdomme, Big John, nu is dan eindelijk het moment aangebroken, en dan doe je het niet.’

Charles schouderde zijn geweer. De kleine in het blauwe sloot opnieuw zijn ogen. Een schot weerklonk dat de kleine in het blauwe nooit gehoord heeft, en Charles en Big John zo hard hoorden dat ze het nooit konden vergeten. De kogel vlamde recht door het hoofd van de kleine in het blauw. En dat hoofd spatte uiteen als een overrijpe pompoen waar je een harde trap op geeft met stevige laarzen.

‘Je bent een harde’, zei Big John.

‘Het is een harde wereld’, zei Charles.

Ze slenterden zonder een woord te zeggen naar het veldhospitaal. Dat vonden ze makkelijk, op basis van de geur. Er lagen kleine piramides van afgezaagde benen en armen aan de tenten waar de dokters sneller te keer gingen dan de meest ervaren houthakkers. De vliegen zaten op de piramides. Ze vonden hun kapitein, de commandant van compagnie F, die de tenten afging op zoek naar overlevenden van zijn compagnie. De kapitein had niet alleen een hogere rang, hij had ook een fles muntwater dat hij op een zakdoek goot om voor zijn neus te houden.

‘Jubal zegt mij dat jullie die scherpschutter te pakken hebben gekregen?’

Charles en Big John knikten.

‘Mooi werk’, zei de kapitein vanachter zijn zakdoek.

‘Ja, mooi werk,’ zei Charles. ‘Leeft die kleine nog?’

‘De kleine leeft nog’, zei de kapitein. ‘Het is een taaie.’

‘Ja, ’t is een taaie’, zei Charles.

‘We hebben een nieuwe sergeant nodig’, zei de kapitein, en hij keek naar Charles.

‘Nee’, zei die, ‘Ik wil doden, ik wil mijn leven riskeren, maar ik wil niemand anders bevelen om te doden en zijn leven te riskeren.’

Daarna draaide hij zich om en ging weg.

Big John bleef staan, hopende dat de eer nu hem te beurt zou vallen. Maar de kapitein zei: ‘Goed werk’, en draaide zich ook om.

Big John klampte een verpleger aan en vroeg naar een soldaat die ze pas hadden binnengebracht. Een buikschot, een schot in zijn been, een kind nog. De verpleger wees de weg. Einde van de tent. Naast de ton met water. Ja, naast de ton met water.

Big John stond bij het veldbed en zei: ‘Jimmy, kerel, die kerel die jou heeft geraakt, hebben wij dubbel en dik geraakt. Hoor je dat Jimmy? Je bent gewroken.’

Maar Jimmy antwoordde niet. Big John klampte een andere verpleger aan. ‘Zeg, slaapt die?’

De verpleger keek benauwd naar de kleine. Checkte zijn ademhaling en zijn pols en zei: ‘Een buikschot is meestal fataal.Daar valt niet veel aan te doen.’

Big John wandelde zonder een woord te zeggen de tent uit. Hij zocht Charles en vond hem samen met Jubal en de rest van de compagnie, al terug op weg naar het front. ‘We gaan er nog eens tegenaan’, zei Charles. ‘De spoorlijn is nog altijd te kwetsbaar.’

‘De kleine is dood’, zei Big John.

‘Dat was te verwachten’, zei Charles en spuwde eindelijk zijn klokhuis uit. Jubal sloeg een kruisteken.

‘Ja’, zei Big John. Hij viel in het gelid en marcheerde mee.

Even was het stil. Dan vroeg Big John: ‘Moeten we geen petitie starten om kinderen weg te houden van het front?’

Jubal knikte heftig van ja.

‘Nee’, zei Charles, ‘Hoe erger deze oorlog wordt, hoe beter. Als dit de ergst mogelijke oorlog van allemaal wordt, hebben we het meeste kans dat er nooit nog een nieuwe oorlog komt.’

Jubal keek naar de hemel en sloeg nog een kruis.

Big John marcheerde verder in stilte. Hij voelde ergens dat Charles geen gelijk had, maar rationeel, ja rationeel, had Charles wellicht gelijk. En dus zweeg hij. En stak later die dag nog drie melkmuilen neer met zijn bajonet. En hij spuwde in hun gezicht, terwijl hij zijn bajonet nog eens goed omdraaide ook, want dan zou er nooit nog oorlog komen.