Broer tegen broer

 

Sommige dingen zijn gewoon handig om te hebben. Ik had er lang voor gespaard. Een eigen negerin. Lucille heette ze. Een tikje oud. Al zeventien. Maar ze was zo mooi, ik moest haar hebben. Sluik haar, niet van dat kort kroeshaar. Een hint van blank bloed in haar aders. Genoeg om haar neus te versmallen. Het belangrijkste was dat ze een stevig stel heupen had en een perfect gezond gebit. Geen sporen van pokken in haar gezicht.

Ze smeekte mij om haar kleine broertje ook te kopen, maar ik was platzak. Ze was duur. Opgeleid om madame gezelschap te houden. Creolen in Louisiana sprongen een beetje anders om met hun negervolk. Ze sprak Frans en Engels en kon naar ’t schijnt piano spelen. Geen idee of ’t echt zo was. Nooit getest. Geef mij maar banjo. Borduren kon ze ook en nog meer van die nutteloze onzin. Maar ze had poten aan haar lijf, dus ze kon vast ook wel werken. Niet dat ik haar in de eerste plaats daarvoor kocht. Haar madame had eens moeten weten waarvoor dan wel. Maar ja, monsieur van Madame was de pijp uit. De zoon nam de plantage over. Die had in het buitenland gestudeerd, Zwitserland of een andere Europese molshoop, en had iets tegen slavernij. Hij investeerde liever geld in machines dan in ‘kwetsbare goederen’. Madame zat sindsdien aan de laudanum, zei de slavenhandelaar. ‘Da’s beter dan een perfect gezonde negerin verpesten door haar van die kunstjes te leren.’ Als ze graag kunstjes aanleerde, moest madame zich maar een aapje kopen of een schoothond. Mijn ouders hadden thuis meestal 30 negers. Waarvan we er zeker 20 actief nodig hadden. Als we er 35 hadden, verkocht mijn pa er enkele. Altijd een heel gedoe, zelfs al letten we er op om niet te veel familiebanden te verbreken. We hadden niet genoeg land om zoveel volk aan het werk te houden, dus het moest wel. We verkochten ze zelf door aan de nieuwe eigenaars. De vleeskeuring van de openbare verkoop, wilden we ze besparen. Niet alleen voor hun trots, maar ook voor die van ons. Je slaven open en bloot op de markt gooien, dat rook naar financiële moeilijkheden. Nu, die hadden we niet. Pa kon het zich veroorloven om zowel mijn broer als mij van zodra we 16 waren maar liefst 5 procent van de opbrengst te geven. Ma en pa hadden allebei schots bloed. Misschien sprongen ze daarom zo verstandig om met geld. Onze negers wisten dat we ze goed behandelden, dus ze werkten. Niet zo snel als ze konden, maar snel genoeg om pa niet kwaad te maken. Hij raakte slaven nooit met een hand aan -tenzij soms een aai over de bol van de jongsten-, maar lijntrekkers zond hij naar het geselhuis met een papiertje waarop stond hoeveel slagen ze moesten krijgen. De ligging van onze plantage hadden we ook mee. Langs de oevers van de Mississippi waren de oogsten goed. Katoen was koning. Dus op mijn 19 kon ik al mijn eigen slavin kopen. Niet om kunstjes te leren. Om mee te kweken.

Zo ging Lucille dus van één eigenaar die absoluut niet geloofde in de winstgevendheid van slaven, naar één die er heel zeker van was dat er geld uit te slaan was. Morele bezwaren had ik niet. Slavernij is natuurlijk verkeerd, maar als het bestaat, is de afschaffing ervan de snelste manier om een hele maatschappij in chaos te storten. Ik verklaarde slavernij niet op basis van enige inferioriteit van het zwarte ras. De negers zaten wel achter in hun ontwikkeling, maar dat was vooral omdat wij zo ons best deden om dat zo te houden. Lezen en schrijven mochten ze niet. Wie een slaaf analfabetiseerde, kon rekenen op zware straffen. Wat ik wel vond was: die zwarten hadden het over het algemeen goed. Ik zag meer lachende zwarten dan lachende blanken. Als je als slaaf geboren bent en weet dat je als slaaf zult sterven, welke zorgen kan je dan hebben. Ik had wel zorgen. Ik wilde het beter doen dan mijn oudere broer. Hij zou later de plantage erven. Mijn vader stond er op om zijn land in één stuk te houden. Voor mij wachtte normaal een militaire opleiding. De militaire academie, West Point, in het noorden, waar veel zuidelijke jongens heen gingen. Maar mijn ogen waren te slecht. Ik droeg een bril sinds ik 16 was. Tot dan reed ik altijd op een heel rustige pony, omdat die dan wel in mijn plaats keek. Zo slecht was mijn zicht. Dat van mijn broer ook, maar die hoefde zich verder geen zorgen te maken over de toekomst. Bovenop al de voordelen die hij dankzij zijn leeftijd genoot, kwam nog het ergste. Hij kon geweldig dansen en hij had succes bij vrouwen. Ik niet. Als een vrouw in het dorp mij aansprak, was het alleen om te vragen hoe het met mijn broer ging. Dat stak. Ik kon het niet eens wijten aan de dikke glazen van mijn bril die mijn gezicht ontsierden. Mijn broer droeg al een dikke bril sinds hij 12 was. Ik was stiekem zo nijdig op hem, dat ik me vaak afvraag of het tussen ons ook zo was fout gelopen  als ik Lucille niet had gekocht.

2.

Toen ons land uiteenviel in de noordelijke en de zuidelijke staten, wilden onze ouders niks te maken hebben met die onzin. Volgens hen bestond oorlog alleen, omdat er daar enkele rijke vetzakken nog rijker door werden. Wie er won, kon hen niet schelen. De bovenklasse melkt de middenklasse en de armen zijn er om de middenklasse voor te houden dat het altijd nog slechter kan. ‘Ja, maar’, zei mijn broer, ‘als zij winnen pakken ze onze negers af.’

Pa las weinig, maar wat hij las, las hij goed en hij zei: ‘De nieuwe regering in het noorden heeft nooit gezegd dat ze onze slaven gingen afnemen. Het enige wat ze niet willen is dat er in de nieuwe gebieden in het westen slavernij komt.’

‘Ja’, zei mijn broer, ‘maar als de slavernij niet kan uitbreiden, dan krijgen we op de lange duur te veel slaven op een te klein gebied. Dat zou rampzalige economische gevolgen hebben voor ons.’

Pa zei: ‘En wat dan nog? Dan verkopen we onze negers en huren werkvolk.’

‘Dan is onze plantage nooit nog winstgevend,’ zei mijn broer.

‘Beter iets minder winstgevend, dan mijn kop te laten afblazen of twee zonen te verliezen om negers te kunnen houden. Trouwens, ik heb al één regering de rug toegekeerd en deze heeft mij nog nooit lastig gevallen, dus ik ga niet nog eens rebelleren. Als het Noorden de slavernij afschaft, ben ik zeker dat ze ons enige vorm van compensatie geven.´

Hij bedoelde natuurlijk de Engelse regering toen hij emigreerde uit Schotland. Ik snapte zijn redenering. Mijn broer snapte die ook. Er was weinig tegen in te brengen, maar het was niet genoeg om geen dienst te nemen in het leger van het Zuiden. Al onze mannelijke kennissen namen dienst. Meisjes vroegen nog maar één ding: ‘in welk regiment dien jij?’ of ‘waarom ben je niet in uniform?’

Ik tekende eerst en kreeg in het dorp twee dagen lang meer aandacht dan mijn broer. Tot bleek dat hij bij de staf mocht dienen van kolonel Sears. Sears was één van de rijkste plantagehouders in de buurt. Hij had een eigen regiment opgericht en alle wapens en uitrustig betaald. Wapens en uniformen voor meer dan 400 man. Mijn broer had hij al lang een postje beloofd als luitenant in zijn staf.  Zijn dochter had een oogje op mijn broer. Toen mijn broer in een piekfijn unform mét officierszwaard te paard onze oprit opkwam, rende moeder hem tegemoet. Ik had haar nog nooit zo enthousiast gezien. Dat terwijl ik ondertussen al te boek stond als de slechtste schutter in mijn regiment. Ik diende gelukkig niet als gewoon soldaat  in hetzelfde regiment als waar mijn broer grote sier kon maken als stafofficier. De vernedering ware ondraaglijk geweest.

3.

Schieten ging beter, toen duidelijk werd dat als ik maar laag genoeg mikte op een verre stip, ik toch wel doel trof. Precies was mijn schot niet, maar ik kon goed genoeg schieten om een menselijk lichaam ergens te raken op 200 meter afstand. Gelukkig maar, want de kapitein van mijn compagnie had al plannen om mij nog eens te kleineren door een hospik van mij te maken. Ik raakte aanvaard bij het regiment. Na  onze eerste vuurdoop groeide het respect van mijn medesoldaten voor mij. Vechten deed mij niks. Bloed deed mij niks. Toen we een artilleriepositie bestormden en innamen, maar door te grote druk, niet konden houden, bleef ik tot de laatste om een kanon om te draaien en ermee op de eigenaars te schieten, voor ik mee terugtrok. Dat was mooi, maar ik had pech. Er was geen enkele officier die mij gezien had, want die waren allemaal dood of gewond. In de zelfde veldslag raakte mijn broer gepromoveerd tot kapitein. Hij was per ongeluk ingereden op vijandelijke troepen. De duisternis viel al en hij had zich zo autoritair gedragen dat de mannen dachten dat hij een officier van hen was. Hij had hun vervolgens vlak naast een regiment van ons laten marcheren. De helft kon het niet navertellen. Als ik nu mijn naam zei tegen een onbekende, kreeg ik weer die vervloekte reactie: ‘hey, ben jij niet de broer van die kerel die…?’

Toen ik tijdens de winter voor verlof thuis was, wilde ik het liefst van al meteen terug naar de frontlinie. Mijn broer was toen al majoor. Bovenop de promotie voor zijn huzarenstukje kreeg hij nog een promotie voor zijn excellent stafwerk. Toen ik thuiskwam, was het eerste dat ik hem zei: ‘Ah, je bent ook nog heelhuids. Ik was al bang dat je bij de staf te hete koffie zou drinken en je lip zou verbranden.’ Hij werd niet boos. Mijn opmerking sloeg nergens op. We wisten allebei dat stafofficieren wel degelijk gevaar liepen. In de zelfde slag was onze bevelvoerende generaal geraakt in zijn dij en was doodgebloed. Toch wilde ik hem kwaad krijgen. Ik zei: ‘Die luide knallen die jullie soms in de staftent horen, dat zijn granaten, niet de donder, dus je moet zeker niet onder tafel kruipen.’ Als kind kroop hij bij onweer onder tafel. De enige zwakte waarmee ik hem als kind kon uitlachen. Hij werd nog steeds niet boos. Hij stond gewoon op en wandelde naar me toe om mij vriendschappelijk op de schouder te slaan. Pas toen zag ik dat hij mankte. Moeder keek boos naar mij. ‘Het werk van een stafofficier is niet zonder gevaar’, zei ze. Mijn broer had toen hij een bericht van zijn kolonel -ondertussen generaal- overbracht naar één van zijn compagniecommandanten een kogel in zijn been gekregen. De kogel was recht door zijn been gegaan, wat hem gered had van een amputatie. Zijn paard was wel dood. Pa zag mij en zei: ‘Jij bent tenminste voorzichtig geweest.’ Of hij het zo bedoelde, weet ik niet, maar toen klonk het als: ‘een laffaard als jij raakt natuurlijk niet gewond.’

’s Avonds zette ik me met een fles whiskey op het dak van ons ciderhuis. In de winter maakten we geen cider, dus daar was het rustig. Het was een heldere nacht en ik had een goed uitzicht over het slavenkwartier. Het was toen dat ik eindelijk iets zag om mijn broer een hak te zetten. Had ik geweten hoe zwaar hij en onze ouders er zouden aan tillen, had ik het misschien niet gedaan.

4.

Sinds ik haar gekocht had, sloop hij ’s nachts naar haar toe. Daarom sliep hij ook thuis. Zijn regiment bewaakte de rivier en was dichtbij gelegerd. Dichtbij, maar niet zo dichtbij dat je elke dag om en weer kon rijden met je paard zonder bekaf te zijn. Toch deed hij het. Nu snapte ik waarom. Mijn broer was voor de charmes van Lucille gevallen. Op zich geen schok, ze was bijna te mooi om te weerstaan. Zelf viel ik uitsluitend op kleine, blonde vrouwen, liefst met vlechten. Maar mijn broer had wel vaker iets uitgevreten met één van onze negermeisjes. Gelukkig was hij niet zo dom of onhandig om er één te bezwangeren. De eerste nacht, dacht ik haar gewoon te laten geselen. Daarna besloot ik haar voor één of ander vergrijp te laten brandmerken. In haar gezicht. Een zeer zware straf, die ik niet kon opleggen als het vergrijp niet erg genoeg was. Dat verreiste enige planning, maar ik kon er wel wat op vinden. Een grote diefstal in haar schoenen schuiven. En dan kssssh, de D van dief op haar wang. Eens zien of hij haar dan nog zo graag ’s nachts bezocht. Voor mijn kweek zou het geen verschil maken. Maar toen ik informeerde bij de slaven, merkte ik dat het dieper zat. Mijn broer, de grote verdediger van de slavernij, was verliefd op een slavenmeid. Hij gaf haar cadeautjes, hij gaf onze opzichter pakken koffie van het leger op voorwaarde dat hij haar bij het werk zou ontzien. Ze kreeg speciale zeep en parfum. En volgens het meisje waarmee ze een hut deelde, zelfs dure jurken, die ze natuurlijk alleen binnenskamers droeg als hij langskwam. Haar kamergenote gaf hij zwijggeld. Maar ik gaf het dubbele aan spreekgeld. Ik kon niet stoppen met giechelen toen ik besloot wat ik allemaal zou doen. Allereerst verkocht ik haar.

5.

Ik verkocht haar ‘landinwaarts’, dat wil zeggen: weg van de rivier, naar het hart van de katoenkweek. Daar waren de omstandigheden voor zwarten het slechtst. Ik ving een heel goeie prijs. In financieel opzicht was het ook een slimme move. Hoewel onze officieren belachelijk optimistisch bleven, zag ik het fout gaan. We verloren veel terrein en ondanks enkele spectaculaire overwinningen heroverden we nooit wat. Het zuiden was aan het wankelen en met de val van het zuiden stond slavernij ten dode opgeschreven. Gelukkig zagen veel mensen dat nog niet in of ik had nooit nog een goeie prijs gevangen voor Lucille. Ik raadde pa aan hetzelfde te doen met zijn negers, maar die wilde niet. ‘Ik behandel mijn zwarten zoals ik ze altijd behandeld heb. Als de tijd komt dat ik ze vrij moet laten, wil ik ze zonder blikken of blozen kunnen aanbieden om te blijven en te werken voor een loon. Ik ben niet te oud om mee te gaan met mijn tijd.’

Lucille verkopen midden in oorlogstijd, terwijl ze net gewend was geraakt aan het leven op onze plantage en vrienden had gemaakt, vond hij onnodig wreed en onverantwoordelijk. ‘Als je een slaaf koopt, koop je ook de verantwoordelijkheid erover. Die kun je niet zomaar van je afschudden als je daar zin in hebt.’

Van mijn broer kreeg ik voor het eerst in mijn hele leven een brief. De kerels waarmee ik een tent deelde, vroegen waarom ik zo moest lachen. Ik vouwde de brief op en zei: ‘O niks, mijn broer schrijft mij iets grappigs.’ Hij wilde weten aan wie ik Lucille verkocht had. Die stille genieter wilde haar terugkopen. Het was tijd voor de volgende stap. Ik had eigenlijk geen idee hoe het met Lucille ging en dat kon mij niet schelen ook, maar ik schreef hem terug dat ze had proberen vluchten van haar nieuwe eigenaar, terug naar onze nieuwe plantage. Ze had zo vaak willen vluchten dat ze eerst de tenen van haar linkervoet hadden afgezet. En toen dat haar niet tegenhield, hadden ze de spieren in haar dijen doorgesneden zodat ze niet meer snel vooruit kwam. Maar toen ze daarop haar nieuwe meester met zijn eigen jachtgeweer had verwond, waren diens stoppen doorgeslagen. Hij had een gat in haar onderbuik gestoken, had haar darmen eruit getrokken en die tegen een boom genageld. Daarna had hij haar met zweepslagen gedwongen om rond de boom te stappen, zodat haar ingewanden afrolden rond de boom. Dat had hij gedaan tot ze bezweek. Om het helemaal af te maken, had ik gezegd dat ze zwanger was geweest en dat de baby er tijdens haar stervensleed was uitgevallen.De baby leefde niet. Een interessant detail was dat het om een mulat ging. Ik schreef natuurlijk dat ik het ten zeerste betreurde, maar dat de oorlog iedereen de zenuwen gaf. Als kers op de taart schreef ik:

‘Het slechte gedrag van deze negerin die anders altijd zo dociel en gedwee alles met haar liet gebeuren, kan ik alleen verklaren uit de abominabele behandeling die ze daar kreeg. Dat ze zwanger was van een mulat wijst er op dat de nieuwe eigenaar zijn bezitsrecht ook in bed liet gelden, wat natuurlijk volstrekt inhumaan is. Al moet ik in alle eerlijkheid zeggen dat het meisje niet zonder schuld is. Ze opende haar benen voor jan en alleman. Dat was ook de reden waarom de vorige eigenaar haar aan mij verkocht. Al zijn negers gingen op de vuist met elkaar om te beslissen wie bij haar in bed mocht duiken. Bij ons veroorzaakte ze zulke problemen natuurlijk niet. De negers van pa hebben wel goede manieren.’

Ik kreeg geen antwoord. Twee weken later kreeg ik wel een brief van vader. Ze hadden gehoord van wat er met Lucille gebeurd was en ze hielden mij persoonlijk verantwoordelijk. Een meisje verkopen aan slechte huize was niet iets dat ze van hun zoon konden tolereren. De reputatie van de familie stond op het spel. Ik werd vriendelijk verzocht mijn volgende verlof niet thuis door te brengen, tot de gemoederen een beetje bedaard waren. Moeder had helaas mijn brief gelezen en lag ziek te bed. Ze droomde elke nacht van ‘het incident met de boom’, zoals mijn vader het verwoordde. In razernij schreef ik terug dat ik ‘in het gezicht van deze aantijgingen’ nu helaas de waarheid moest  zeggen. Ik had haar enkel en alleen verkocht omdat mijn broer ‘zekere nachtelijke genoegens met haar deelde’. Ik wilde de familie sparen van schande. Toen ik weken later het antwoord van mijn ouders las, was het duidelijk: ik had gewoon geen familie.

‘je mannelijke noden lenigen, zonder enige vorm van dwang van de kant van je broer, is nog iets heel anders dan een onschuldig wezen overleveren aan de wreedheid van een zwakzinnige sadist.’

Ik begon te denken dat ze zelfs hadden ingestemd met een huwelijk tussen hem en Lucille. Om mij de rest van mijn leven onder de neus te wrijven: ‘het is jouw fout, je had maar niet zo’n mooi meisje moeten kopen.’

Nijd is een slechte raadgever, maar ik kon het niet meer van me af zetten. Ik kon alleen nog aan mijn broer denken. Alles leek te schreeuwen dat hij beter was dan mij. Ik betrapte mezelf erop dat ik over manieren fantaseerde om hem uit de weg te ruimen. In het begin voelde ik me daar nog schuldig over. Maar na een tijd voelde ik alleen nog teleurstelling omdat ik mijn fantasieën niet kon uitwerken. Mijn ouders wilde ik ook terugbetalen voor hun ongelijke behandeling. Bezeten door nijd en frustratie zag ik één goeie optie: overlopen. Er was niks meer dat mij bond met het Zuiden en het was sowieso niet verstandig om voor een verloren zaak te strijden. In de noordelijke rangen voelde ik mij al snel beter thuis dan in de zuidelijke. Ze zagen overlopers graag komen. Overlopers deden hen de overwnning ruiken. Voor mij was er nu geen enkele weg terug meer. De confrontatie met mijn broer kon niet uitblijven.

6.

‘Yup, het is het vijfde’, Ryan stond over mij gebogen met een sip gezicht.

‘Welk vijfde?’, vroeg Walt. Hij drukte een kus op elke kaart in zijn kaartendek en keek niet op van deze bezigheid. Vanavond had hij pokeravond met enkele mannen van F compagnie, dus hij moest zijn dek zegenen.

‘Wel, het regiment dat tegenover ons ligt, is inderdaad het vijfde’, zei Ryan.

‘Ja, en wat dan nog?’, vroeg Walt,

‘Heb je het hem niet gezegd?’, vroeg Ryan aan mij.

‘Nope’, zei ik.

‘Wat gezegd?’, vroeg Walt

‘Toms broer dient in het vijfde’, zei Ryan tegen Walt. ‘En nu?’, vroeg Ryan aan mij.

‘Wat nu?’, vroeg ik. ‘Niks nu. We hebben elk onze kant gekozen. We wisten allebei dat dit kon gebeuren.’

‘Ja, maar toch. Je wil toch je eigen broer niet omver schieten? Ga dat eens uitleggen aan je ouders.’

Ik trok mijn zwarte vilten hoed over mijn ogen  Het enige uniformstuk dat ik had gehouden. De blauwe kepi’s van het noorden bevielen mij niet.

‘Je eigen broer?’, vroeg Walt. ‘Haha, shit, jongen, je hebt het ook niet getroffen. Kun je er niet om pokeren? Als hij verliest, loopt hij ook over naar onze kant. En omgekeerd.’

‘Ik ga niet terug. En mijn broer loopt niet over.’, zei ik.

‘Kan je geen overplaatsing vragen?’, vroeg Ryan.

‘Een voorkeursbehandeling eisen? Omdat mijn broer een sufferd is?’, vroeg ik. ‘Nee, bedankt.’

‘Moet ik hem echt niet laten weten dat jij hier zit? Met hun voorposten kun je zo een babbeltje slaan. ’t is erg rustig langs de linie. We wisselen zelfs kranten met hen uit. Voor wat koffiebonen geven ze de boodschap wel door.’

‘Nee’, zei ik, ‘als het hem interesseert, kan hij het wel voor zichzelf uitvissen.’

‘Jij je zin’, zei Ryan eindelijk, ‘maar jij liever dan ik, kerel. Jezus, man, ik mag er niet aan denken. Je eigen broer afmaken.’

‘Ach kom, wat is de kans? Ons regiment telt een paar honderd man, zijn regiment telt een paar honderd man. Wat is de kans dat we op elkaar schieten?’

‘Mja’, zei Ryan, ‘ik weet het zo niet. Onze legers hebben beide honderden regimenten, maar het is toch net dat van hem en net dat van ons die nu tegenover elkaar liggen.’

‘Ik geloof niet in kans’, zei Walt. ‘Wat is de kans dat iemand elke keer hij poker speelt een full house haalt, he? Kan niet he? Wel, ik zweer het jullie, laat mij twee uur poker spelen en ik haal minstens één full house. Ik geloof niet in kans. Ik geloof alleen in geluk.’

‘Nou, succes met de discussie’, zei hij, ‘ik ga die van F compagnie verder pluimen.’

‘Hoe close ben je met je broer?’, vroeg Ryan, die naast mij bleef hurken. Dat was één van de vele nadelen van het leven in de loopgraven: zero privacy.

‘Wil je mij met rust laten nu?’, vroeg ik. ‘Sinds het begin van deze oorlog, heb ik geen broer meer, duidelijk?’

‘Je broer is en blijft je broer’, zei Ryan. ‘Ik weet zeker dat er een speciale plek in de hel is voor mensen die hun eigen broer dood maken.’

‘Laat mij pitten!’, schreeuwde ik. Ryan was de vrijwillige organisator van religieuze avonden voor de troepen. Het laatste wat ik wilde was dat hij er zijn geloof bij sleurde. Ik weigerde nog iets te zeggen en pas toen hij zijn middagdutje deed, vlak na zijn middaggebed, trok ik naar de rivier. Daar bewaakten onze voorposten de enige doorwaadbare plek. Van verbroedering met de overkant, hadden ze een handeltje gemaakt. Over de rivier hadden ze een touw gespannen met een mandje. Als je iets in het mandje wilde transporteren naar de overkant, kostte je dat 1 dollar. Ik vroeg de voorposten van de vijand om mijn broer te roepen. Ik stopte mijn verzoek en een zak koffebonen in het mandje. Gaf een dollar aan mijn eigen voorposten en ging in het gras zitten.Er kwam snel een boodschap terug. ‘Als je dit leest, richt ik al op je, vuile verrader.’ Ik dook niet eens weg. Dat was veiliger. Het schot ging meters naast. Mijn broer was nooit een geweldig schutter geweest. Hij had de ogen van moeder, net als ik. Waar ik op gerekend had, gebeurde. Van enige rust langs de linie was plots geen sprake meer. Onze voorposten openden het vuur. Enkele minuten later knalden onze kanonnen.

7.

Technisch gezien, had ik hem niet vermoord, maar voor mijn ouders maakte het geen verschil. Ze wisten zelfs niet dat ik zijn dood had uitgelokt en toch gaven ze mij de schuld. Na de oorlog liet  vader per testament onze plantage na aan de zoon van zijn broer, mijn neef. Weliswaar zonder de slaven, want die hadden hun vrijheid gekregen, maar toch, de plantage alleen was nog steeds een fortuin waard. Wat ik de wereld ooit misdaan had om dit te verdienen, wist ik niet.

De enige waartegen ik alles eens verteld heb, was een hoer. Ze luisterde tot het eind, daar was ik haar dankbaar voor. Maar toen ik uitverteld was zei ze: ‘Natuurlijk was hij beter. Hij was ouder.’ Voor één seconde dacht ik dat die redenering de nijd in mij kon smoren. Maar nee, de kanker zat te diep. Ik zocht zelfs een tijd naar Lucille, die nu ergens van haar vrijheid genoot. Gewoon om er bij haar eens goed in te peperen dat mijn broer haar alleen maar gebruikte en, verliefd of niet, nooit in zijn kop zou halen om met haar te trouwen of zo. Als overloper kon ik mij in mijn geboortestreek niet meer vertonen, dus ik vestigde mij in het noorden. Het geld dat ik had, investeerde ik in de spoorwegindustrie. Ik onderhield een tijdje een briefcorrespondentie met mijn moeder. Maar toen ze bijna alleen over mijn broer kon schrijven, stopte ik ook daarmee.

Mijn investering in spoorlijnen was de enige goeie beslissing in mijn hele leven. Als ik uit de gevangenis kom, ben ik van plan om hard te genieten van de vette winst. Nog tien jaar. Dan kom ik vrij voor moord op een buurman. Hij had gelachen met mijn slechte zicht, toen ik tegen een lantaarnpaal botstte. ‘Je moet je ruiten wassen’, had  hij geroepen. Hij was een geweldige danser en de cassanova van het dorp. Als je in het zuiden iemand neerknalde, omdat hij je beledigd had, kwam je er vaak vrij licht vanaf. Maar niet hier, niet in dit dorp, niet ik. Als ik mijn broer zijn succes gewoon had gegund, was het allemaal anders gelopen. Maar ik kan het niet. Ik hoop van harte dat hij in de hemel zit en ik naar de hel ga. Als we samen in de hemel zitten, krijgt hij vast een betere kamer, met een beter uitzicht en leukere engels om hem te dienen. Ik kan het zo voor mij zien. Nee, doe mij dan maar de gewone hel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s