Een dag uit het leven van Egbert Hoveniers: student

“Ga ik naar de les of ga ik niet naar de les? That’s the question.”, sprak Egbert tot zichzelf. Elke ochtend stelde hij zichzelf die zelfde vraag, al van in zijn eerst jaartje, toen hij met de hakken over de sloot slaagde. “We gaan”, zei hij beslist en hij sprong recht. Het was ook veel te mooi weer om lang in bed te blijven liggen. Hij klapte zijn dakraam open en stak zijn hoofd naar buiten. “Hmm, snuif die vroege lentegeur eens op, wat een weertje, wat een weertje…dit is geen lente, dit is zom..” Egbert maakte zijn zin niet af. Het dakraam viel pardoes dicht. Egbert zat vast. Behoorlijk pijnlijk was dat. Egbert maakte enkele reutelende geluiden, hapte tevergeefs naar adem en spartelde wat met zijn benen. Hij bedacht dat dit een komische situatie was, zo één die je vaak ziet in films, vooral in oude zwart-wit films. Aan die kunsthistorische bedenking had hij op dat moment geen fluit. Een drietal minuten zat hij met zijn hoofd geklemd in de dakstrop. Toen hij zich eindelijk loswrong, stootte hij zijn neus. Kortademig sprak hij tot zichzelf: “Egbert, kerel, daar was je bijna de pijp uit gegaan. Fijn dakraam is dat. Daar zit een horrorverhaal in.”

Verder niet al te aangeslagen, ging Egbert voor de spiegel staan. “Wel, hengst, we zullen je maar even scheren, niet waar?” Hij nam zijn scheermesje, maakte het zorgvuldig schoon, zeepte zijn gezicht in, trok zijn kin scheef en ontdeed zijn wangen met lange halen van een borstelig baardje. Dat ging twee minuten goed. Toen schreeuwde Egbert de buurt bij elkaar. Bloed spoot alle kanten uit. Daar had ie zijn bovenlip lelijk opengehaald. Egbert dook naar een rol toiletpapier. Daarbij struikelde hij over een stapel cursussen. In zijn val stootte hij zijn hoofd tegen zijn kachel. Hij sprong vloekend recht en schopte woedend tegen zijn boekenrek. Dat meubelstuk voelde zich gegriefd. Onverhoeds stortte het zich op hem.Egbert kwam foeterend vanonder de berg boeken geklauterd. Hij kreeg een lichte opstoot van hyperventilatie.“Lucht, lucht, getverdrie lucht!” riep hij en hij trok de V-hals van zijn pyjamavest stuk. Hij opende opnieuw zijn dakraam en haalde tweemaal diep adem. Paf, daar hield het dakraam hem al weer in haar stalen greep. Egbert hoestte, wriemelde en vloekte tegelijk, maar kwam niet los. Met zijn voeten was hij al tegen de muur opgeklommen om zo uiterste druk op het dakraam te zetten. Het mocht niet baten. Hij liep helemaal rood aan. Het was muistil, tot hij een vreemd geluid hoorde naderen. Egbert spitste zijn oren. “Wel verdraaid, wat flapt daar zo? O, kijk een duif. Wel kameraad, ramptoerist aan het spelen?” De duif diende hem prompt van antwoord met een welgemikte lading in Egberts rechteroog. De witte smurrie liep van daaruit naar zijn mond toe, alsof ze het bloeden van zijn onderlip wilde stelpen. Op dit moment leek het dakraam te wachten. Het klapte terug open. Egbert kwam onzacht op de grond terecht. “Wat een ochtend, wat een ochtend, en ik ben nog niet voor de helft geschoren, en nou is het te laat ook. Dan maar zo naar de les.”

Egbert schoot in zijn kleren, gooide zijn rugzak over zijn rug en rushte de trap af. Hij struikelde over de zevenenveertigste trede. Daar stak een nagel uit. Egbert vloekte, maar rushte verder. Buiten op de stoep realiseerde hij zich dat hij geen cursussen bij zich had. Hij rushte terug naar binnen, griste de cursussen uit zijn puinhoop, rende de trap af, viel over de zevenenveertigste trede en vloekte. Op de gang ging hij gauw zijn ochtendwater maken. Van de zenuwen plaste hij op de bril. Hij vond geen toiletpapier om het schoon te maken, dus greep hij naar een oude krant. Deze viel in het toilet. Egbert spoelde drie keer tevergeefs door, vloekte, zei tegen zichzelf: “Ik gooi er terpentijn over en steek heel die rotzooi in de fik!” Op dat moment hoorde hij schuifelende voeten. Iemand klopte op de WC-deur. “Ja?” riep Egbert geïrriteerd. “Heb je nog lang werk daar binnen? Het is dringend.” Dat was de stem van Herlinde, Egberts knapste kotgenote. Egbert dacht bij zich zelf: Getver, niet zij, niet nu. Hij diepte de doorweekte krant op uit het toilet en mikte deze door het toiletraam, de tuin in. Van daaruit weerklonk een stem: “Hey daar, durf je wel? Wat moet dat met die smerigheid?” Egbert stoof het toilet uit, botste op Herlinde, stamelde rood als een pijoen “sorry”en ging er als een trein vandoor. Hoorde nog: “Brr, wat is die bril vochtig, jakkes!” Egbert sloeg de voordeur achter zich dicht . Hij zuchtte. “Laten we hopen dat we ’t voor vandaag gehad hebben.”

Te voet kon hij de les niet meer halen. Dan maar met de tram. Egbert kocht een kaartje en ging zitten. “Eindelijk eens mazzel. Normaal is er op dit uur nooit plek.” Een man in uniform tikte op zijn schouder. “Ticket alstublieft.” Egbert overhandigde het. “Dit is niet geprikt, jongeman. Dat wordt een boete.” “Ja, maar, hier staat toch duidelijk de datum, ik heb het net gekocht.” “Niet geprikt, is ongeldig. Op zwartrijden staat sinds dit jaar 140 euro boete. Uw identiteitskaart graag.” “Zoveel heb ik helemaal niet bij.” “Geen nood, de rekening wordt u thuis bezorgd, prettige dag verder.” Egbert rukte aan zijn haren. Er kwam een pluk los. Vloekend streek hij zijn kapsel weer in model. Hij keek uit het raam. “Gadverdamme, een halte te ver.” De tram wilde al weer vertrekken. Egbert deed een pantersprong door de deuren, net voor die dichtklapten. “Oef, nu flink de pas erin en dan haal ik het nog net.”

Egberts woorden waren nog niet koud of hij voelde zich vreemd van de grond getild. Hij begreep niet wat er gebeurde, tot hij zijn das in de gaten kreeg. Die zat geklemd tussen de tramdeuren. Egbert schreeuwde de longen uit zijn lijf. De inzittenden merkten niks. Op twee schooljongens na. Die konden hun lol niet op. Egbert liep voor zijn leven. De volgende halte leek eindeloos ver. Voor hem dook een fietser op. Ontwijken was geen optie. Hij sprong op het bagagerek, duwde de fietser van het zadel en nam diens plek in. Zo was het makkelijker om gelijke tred te houden met de tram. Zo redeneerde Egbert. De fiets was een antieke rammelkar. Zo bleek toen de weg veranderde in kasseistenen. Egbert werd compleet door elkaar geschud. “Trek je das toch gewoon uit!” schreeuwde een voetganger. Da’s een idee, dacht Egbert en hij frunnikte zijn das los. Hierbij loste hij het stuur. De fiets smakte de grond op. De tram sleurde Egbert nog een halve meter mee. Toen knapte de das. “Maar goed, dat ik altijd van die goedkope rommel koop.”

Egbert krabbelde overeind. Besefte dat hij zich midden op de weg bevond. Een auto kwam zijn richting uitgesneld. Hij sprong op het voetpad. Met zijn voet kwam hij terecht op de rug van een kleine Yorkshire. De bejaarde bazin van het vermorzelde beestje, zat hem achterna. Ze mepte hem met haar handtas. Het dametje was verdacht kwiek voor haar leeftijd. Twee straten lang kon hij haar niet afschudden. Uiteindelijk struikelde ze over de leiband van een andere hondenbezitter. Ze kwam overeind gekraakt en sloeg nu in op die. “Sjonge, zo’n kwaaie tante.”, mompelde Egbert. Hij haastte zich naar de les. Hij keek op zijn uurwerk. “Tien minuutjes te laat. Geeft niet, de Vilder begint toch nooit op tijd.”

Egbert wurmde zich voorbij een stel rokers dat de deuren van de faculteit blokkeerde. Hij gaf links en rechts een duw, bereikte net de deur, als hij achter hem een stem hoorde: “Hey kijk uit, ik geloof dat mijn sigarettenpeuk in je jaszak gevallen is. Sorry. ’t Was een ongelukje.” Uit Egberts linkerjaszak steeg een brandluchtje op. Een papieren zakdoekje had vlam gevat. Egbert gooide de jas van zich af en trapte het vuur uit. De onopzettelijke pyromaan kwam haar excuses aanbieden. Egbert had geen tijd om zich kwaad te maken. Hij stormde de trap op naar het auditorium. Hij piepte door de deuren. “Fijn, de Vilder is nog in de weer met de geluidsinstallatie.”

Hij ging het auditorium binnen. Op de achterste rijen was geen plek meer. Hij daalde de trap af. Gauw werd duidelijk dat zijn schoenen de race met de tram niet geheel zonder schade doorstaan hadden. De zolen kwamen los. Egbert viel naar voren, midden in een rij, op de schoot bij vier jongedames. Alle blikken waren nu op Egbert gericht. Hij panikeerde, probeerde zich recht te trekken. Daarbij graaide hij in de boezem van minstens twee van de vier dames. Dat leverde hem enkele klappen op. Hij viel van de gecombineerde schoot en zakte onder de klapzitjes. Hij zette zich op handen en voeten. Opeens keek Egbert aan tegen een maagdelijk witte onderbroek. Toen de eigenares zich dit ook realiseerde, klemde ze haar benen stijf dicht. Egberts hoofd kwam in een knieschroef te zitten. Hij raakte niet los. Vast een turnster, oordeelde hij. Egbert zag maar één oplossing. Hij beet het meisje in haar been. Ze loste. Toen hij met zijn hoofd vanonder de klapstoel kwam, kreeg hij een ringmap tegen zijn kiezen. ‘Internationaal maritiem recht.’ Zware materie. Egbert klauterde een rij verder. Er kwam nog een balpen aangesuisd, maar verder was hij veilig. Het auditorium ontstak in een daverend applaus. Egbert keek verbaasd op. Maakte vervolgens een diepe buiging. “Goed, als mijnheer Stuntman geïnstalleerd is, kunnen we de les beginnen.” Egbert klapte een schrijftafeltje open. De Vilder kies ik al vast NIET als promotor voor mijn thesis, bedacht hij als hij zijn cursus opensloeg. De les verliep verder rustig. Egbert kon eindelijk wat bekomen. “Bewogen ochtend wel”, mompelde hij voor zichzelf.

In de pauze wilde hij zich verontschuldigen bij het per ongeluk gemolesteerde viertal.

“Loop heen.”

“Viezerik.”

“Nooit zoiets meegemaakt.”

“Maniak.”

Egbert haalde zijn schouders op. “Ik heb het geprobeerd.” Er passeerde een groepje jongens.

“Pracht van een intrede, kerel. Moet je nog eens doen. Je krijgt een bak bier van me.”

“Dank je. Volgende week misschien.”

Bende idioten, dacht Egbert. Hij nam terug plaats. Pikte onderweg zijn zolen op. “Een boete en een nieuw paar schoenen nodig. Duur dagje.”

Het tweede deel van de les noteerde hij onnadenkend. Tot hij de prof hoorde zeggen:

“We hebben nog tien minuten, maar voor vandaag ben ik uitverteld. Misschien kan de olijke jongeman op de zesde rij, zijn gesmaakte optreden van net nog eens overdoen.”

Egbert kleurde rood. Het auditorium schreeuwde aanmoedigingen. Egbert was nog een duim hoog.

“Beste mensen, een bisnummer zit er kennelijk niet in. Onze artiest kampt met plankenkoorts. Gaat u in allen in vrede.”

De studenten gaven collectief lucht aan hun teleurstelling. Enkele ambachtelijk vervaardigde zweefvliegtuigjes schramden Egberts nek. In de massa kon hij de daders niet lokaliseren. Egbert graaide zijn boeltje bij elkaar en verdween. Bij een automaat trakteerde hij zichzelf op een blik frisdrank. Toen hij het opentrok, spoot er een golf schuim uit. Op de vloer vormde zich een limonadevlek. Achter hem dook een poetsvrouw op. “Zeg, kun je wel? Die gang is net gedweild.” Egbert schrok op. Het blik rolde over de grond. “Jezus, wat een klungel. Doe je het express?” Egbert verontschuldigde zich tot driemaal toe en maakte zich dan pijlsnel uit de voeten. “Herenlief, was ik maar in bed blijven liggen.”

Van de stress, had hij een reuzenhonger gekregen. Hij begaf zich naar een broodjeszaak.

“Shit, een rij ot buiten. Zeker vijftien man.” Er zat niks anders op, Egbert schoof mee op. Na een dik kwartier was het zijn beurt.

“Voor mij een hot bun, maar zonder ansjovis en met extra veel ajuintjes.”

“De ajuintjes zijn op.”

“Geeft niet. Doe dan maar goed veel tabasco.”

“Komt in orde.”

Egbert betaalde.

“Zeg kerel, dat lijkt dan wel op een euro, maar da’s oude Franse frank.”

Smerige drankautomaat, dacht Egbert en hij betaalde met een briefje.

Hij ging zitten op een bankje bij een pleintje met een fontein. Hij nam een flinke hap uit zijn hot bun. “Stik, heeft dat kalf er toch ansjovis opgedaan.” ‘Goed veel tabasco’, had ze ook op eigen wijze geïnterpreteerd. De rode vloeistof druppelde zo langs zijn mondhoeken. “Water!” proestte Egbert uit. Hij stevende af op de fontein. Zijn hot bun slingerde hij over zijn schouder. Hij had nog een meter te gaan toen hij op een vuilnisman botste. Een boom van een kerel.

“Hey, kijk uit je doppen, ja?”

“Sorry, sorry, hijgde Egbert, laat me er alstublieft langs, ik hou het niet meer.”

De man hield hem staande. “Fernand, kom eens deze kant op. We hebben hier zo’n kostuumventje dat denkt dat hij boven ons staat, omdat mama en pappa mijnheertje zijn studies betalen.”

“Maar, nee, ik zeg toch sorry. Ik wil godver toch gewoon een slok water.”

“En nog vloeken ook. Hoor je dat, Fernand?”

“Ik heb het gehoord.” Daar verscheen Fernand. Nog een kop groter dan de eerste vuilnisman. Hij wreef sla uit zijn gezicht. Op zijn voorhoofd zat een streep tabasco. Egberts hot bun had doel getroffen.

“Wat doen we er mee, Jean-Pierre?”

“Misschien heeft kostuumventje zin in een ritje. Vindt ie vast fijn.”

“Ja, een ritje met de vuilkar. Altijd een leerzame ervaring.”

De vuilnismannen prangden Egbert tussen hen in. Ze tilden hem op en droegen hem naar de vuilniskar.

“Héla, héla, dat kunnen jullie niet maken. Ik zeg toch dat het een ongeluk was!”

Het mocht niet baten. Egbert vloog door de lucht. Belandde met een smak in de achterbak. Voor zijn ogen zag hij het vuilnis samengeperst worden. Hij wilde het lot van die vuilniszakken niet delen en werkte zich omhoog. Dat was met al die glibberige etensresten geen makkie. Uiteindelijk lukte het. Hij liet zich uit de achterbak vallen. Hij kwam echter fout terecht en brak zijn pols. De vuilnismannen klommen op hun kar en scheurden er van door. Egbert kwam niet meer overeind. De voormiddag had hem uitgeput. Enkele omstanders hadden medelijden en belden een ambulance.

In het ziekenhuis kwam hij op spoed te liggen. Hij schudde steeds van nee. Hij kon niet geloven wat hem allemaal overkwam. In de spoedafdeling zat geen vaart. Egbert bleef twee uur onaangeroerd liggen. Uiteindelijk dook er een doodvermoeide dokter op. Die onderzocht hem en prevelde vervolgens instructies tegen een stagiaire. Egbert kreeg een bandje om zijn teen geniet. Bij de eerste poging schoot er een nietje in het vlees van zijn dikke teen. “Sorry, het is mijn eerste dag.”, bracht de stagiaire trillend uit. “Ja, zet gelijk mijn voet af!” tierde Egbert. De studente barstte uit in tranen. Een verpleger nam het van haar over. “Ik merk dat u een beetje overspannen bent. Ik zal de dokter om een middel tegen de zenuwen vragen.”

Egbert was helemaal niet gewend aan dat soort medicatie. Meteen na inname bevond hij zich in de zevende hemel. De eerste verpleegster die hij zag, kuste hij vol op de mond. Hij greep haar stevig bij haar hoofd en draaide haar zelfs een tong. De verpleegster was bepaald in de wolken. “Mijn God”, zei ze toen ze wegwandelde, “daar moet ik 58 voor geworden zijn!”

Twee uur later lag Egbert er nog steeds. De stagiaire kwam terug langs. “U hebt wel een stevige indruk gemaakt op zuster Jeanne. Ik denk dat ze uw avances wel op prijs stelt.”

“Zuster Jeanne?”

De stagiaire wees naar een bebrilde, krom gebogen verpleegster, tien bedden verder op de gang. Ze keek blozend naar hem op. Het eerste effect van het kalmeermiddel was ondertussen uitgewerkt. Egbert zag weer helder. Hij kotste de ziel uit zijn lijf. Dat viel op een lege maag niet mee. Er kwam enkel gal en water uit. “Hemeltje, u hebt het wel zwaar te pakken.”

“Wat ik eigenlijk vragen wilde: ligt u graag apart of bent u een bereid een kamer te delen?”

“Zeg, waarom heb ik een kamer nodig? Zo erg ben ik er toch niet aan toe?”

“Ja, ziet u, net brachten ze een man binnen met een gesprongen kransslagader. Die had onvermijdelijk voorrang op u. De dokters zijn al drie uur met hem in de weer. Ondertussen heeft u spijtig genoeg een verhoogde kans op perforatie.”

“Perforatie? Van wat dan wel?”

De dokter wenkte de stagiaire. Ze verdween. “Wat een gekkenhuis”, sprak Egbert.

De patiënt in het bed recht tegenover kreeg hem in de gaten. Die vergastte Egbert ongevraagd op een semi-professioneel exposé over nierstenen.

Een half uur later was het dan eindelijk zijn beurt. Ze rolden hem de lift in. De stagiaire wilde hem geruststellen. “De operatiekamer is zo vrij.”

“Operatiekamer? Voor een gebroken pols?”

“U bent echt grappig, weet u dat? In uw situatie zou het lachen mij snel vergaan. U houdt zich heel kranig. We krijgen er hier andere over de vloer.”

“Ja, zeg, ik sta niet te springen om mijn pols te breken, maar dood ga ik er ook niet van hé.”

“U geeft niet op hé? Heel vermakelijk. Ach, kijk we zijn er. Maak u maar geen zorgen. Een appendix verwijderen is echt een standaardprocedure.”

“Appendix verwijderen? Ik zeg toch dat ik mijn pols gebroken heb!”

“U moet echt komiek worden.”, lachte de stagiaire. Ze rolde hem een kleinere wachtzaal in.

“Ze komen u zo halen.”

Even later doken inderdaad twee verpleegsters op.

“Dames, dit is heus een misverstand. Met mijn appendix is niks mis, dat zweer ik.”

“Op uw bandje staat anders duidelijk te lezen: ontstoken appendix, perforatie waarschijnlijk.”

“Dat kan niet, zeg ik.”

“Hij ijlt al.”

“Vast en zeker geperforeerd.”

“Niks aan te doen. Chirurgen moeten ook eens eten.”

“Ok, nu heb ik het gehad.”

Egbert sprong recht, duwde de verpleegsters van zich af en stapte kordaat de gang op. Daar botste hij op de stagiaire. Hij liep haar met bedpan en al omver. Voor hem doemden drie kloeke verplegers op. Hij draaide zich vlug om en zette koers naar de lift. Dat was zonder de inhoud van de bedpan gerekend. Egbert slipte. Hij gleed ettelijk meters voort en kwam met zijn hoofd tussen de liftdeuren terecht. De metalen deuren raakten zijn beide slapen. Ze raakten hem een tweede keer en een derde keer. In de verte hoorde hij nog: “Een geval van acute appendix, maak wat voort.” De vierde keer maakte hij al niet meer bewust mee. De stagiaire kwam niet meer bij van het lachen. Voor de zekerheid voelde ze zijn pols. Toen viel ze flauw.

Egbert ging niet zozeer dood, hij stopte gewoon met leven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s