Vae victis :: Een verhaal over pesten in de lerarenkamer (=enige kleuterklas zonder opvoedster)

vaevictis(gelieve de ik-verteller niet te verwarren met de auteur, dank u)

In de lerarenkamer ben ik één en al voelspriet. Ik zit dan aan mijn vaste tafel en ik lees. Romans. Niet omdat ik denk dat ik daar enige wijsheid kan uitpuren. Je kan evenveel wijsheid halen uit een reclamespot voor waspoeder als uit de hele literaire canon. Hangt er maar van af welke verwerkingsapparatuur je hebt. Als je een cd in een videorecorder stopt, krijg je toch ook geen beeld?

Ik lees ook niet om te pochen over de geweldige intellectuele prestatie. Jezus zeg, ik geef Latijn, het moet al een hele clevere collega zijn die durft twijfelen aan mijn eruditie. Nee, ik lees omdat het mij uit deze wereld neemt.

Een handige bijkomstigheid is dat een vuistdikke roman de meest efficiënte camouflage is die je in een lerarenkamer kunt aantrekken. Romans lezen is een krachtiger afweermiddel voor sociaal contact dan tien bordjes met ‘je crepeert nog dit jaar aan botkanker als je ’t waagt mij te storen’. Verbeterwerk heeft ook het gewenste effect. Maar ja, dat is zo’n rotklus dat ik er mij echt moet op concentreren. Trouwens, welk verbeterwerk? Nog nooit gehoord van peer evaluation? Multiple choice? Een combinatie van de twee?

In afwachting van een wenk van Godin Rinkeltinkel, de hoogste schoolautoriteit, zijnde de bel, loop ik als een spons vol met indrukken. In het micro-universum van een school, waarin zo weinig duidelijke hiërarchische lagen zijn, moet je goed op de hoogte blijven van de roddelmolen. Hoe beter je er van op de hoogte bent, hoe beter je kunt vermijden dat je er zelf in terechtkomt. En geloof mij, de smet van die roddelmolen is onuitwisbaar.

Gelukkig zijn leerkrachten in de regel zo subtiel als een kleuter die op de achterbank van de auto in zijn neus peutert. Je zou ervan versteld staan hoeveel mensen een afstand van anderhalve meter interpreteren als een driedubbel gewapende geluidswand.

Sinds ik mij als roddelradar gedraag, krijg ik spontaan een refluxgevoel in aanwezigheid van twee vrouwelijke leerkrachten. Eender welke twee vrouwelijke leerkrachten die zich in veilige discretie wanen. Als vrouwelijke leerkrachten de mentale dolken die zij plaatsen ook daadwerkelijk in staal lieten verwaardigen, was het Zweedse reservoir aan ijzererts al lang uitgeput.

Vrouwen die alleen zijn spreken over hun lijn, vooral het gebrek er aan, over hun kinderen, maar vooral over andere vrouwen. Vrouwen die hen op de één of andere manier op de tenen hebben getrapt. Volgens mij kunnen vrouwen zich ophangen aan hun tenen. Dat zij dat zelden doen zegt meer over hun eigenliefde dan over de rekbaarheid van hun tenen.

Niemand zal het trouwens ooit weten, tenzij ik het uitdrukkelijk wens, maar ja, ik ben een rabiaat seksist. Mannen spreken als het praktisch nut heeft, voor de intellectuele kick van een discussie of om te grappen en grollen, situaties te ontzenuwen. Vrouwen spreken om zich te ontgiften van hun haatgedachten, om emotionele steun te krijgen van een seksegenoot. Vrouwen hebben geen vriendinnen, vrouwen hebben hoogstens geallieerde seksegenoten, een alliantie die steunt op een wankel niet-aanvalspact met in geval van nood een belofte van wederzijdse bijstand. Vrouwenvriendschappen: eindeloze kopies van het Molotov-Ribbentroppact. Alleen komt het zelden tot grootscheepse invasies. De schade in inter-vrouwelijke relaties beperkt zich meestal tot sabotage en bitse grensconflicten.

Op een keer hadden we bij ons op school een leerkracht Nederlands-Godsdienst. Twee vakken die iedereen kan geven met de vingers in de neus. Nederlands: hoe je ’t ook draait of keert, het is hun moedertaal en een leerling moet al moeite doen om te buizen. En wat dan nog als ze buizen? Alsof een deliberatie daar over valt. Godsdienst: een non-vak in dubbele betekenis. Anything goes en opnieuw: je moet al zwarte missen opvoeren en meer dan één leerkracht waterboarden met varkensbloed om er voor te buizen.

Een hele tijd kon ze zich dan ook staande houden. Tot ze drie dagen wettig afwezig was en daarna ‘verdween’. Onwettig afwezig voor een dag of tien. School niet verwittigd. De directeur ging er persoonlijk langs. Ze barstte uit in tranen. Niemand die wist wat er precies aan de hand was. Ze was getrouwd met een Turk. De leerlingen zeiden luidop dat ze thuis vast klop kreeg. De leerkrachten zeiden het niet, ze dachten het alleen. Ik had haar in beschonken bui ooit horen zeggen dat ze met een schuldenberg zat. In het weekend verdiende ze bij om die weg te werken. Toen zij en haar eerste man scheidden, hadden ze hun woning aan dumpingprijs moeten verkopen. Om de scheiding te vieren was ze op reis gegaan. Een soort omgekeerde huwelijksreis. Daar had ze Eros al weer geproefd in de armen van een Turk. Nogal serieel monogaam voor een godsdienstleerkracht, maar goed, zoals ik al zei: anything goes.

In onze school loopt zelden iets fout. Je kan de leerlingen hoogstens voor de voeten kunt werpen dat ze veel babbelen en graag irritant luid zuchten als ze een opdracht beginnen. Als er dan toch eens iets scheef loopt, zijn we er als de kippen bij. Zonder een beetje ramptoerisme is het mensenleven toch zo bleek. Onwettig afwezig geweest, maar zeg, die durft! Een potje janken bij de directeur om medeleven op te wekken. Met haar vakcollega’s boterde het vast ook niet al te goed. Ze is niet populair. En ja, als je dan zo’n stoten begint uit te halen. Geen wonder, dat ze niet meer durft terugkeren.

Ok, momentje, let’s rewind. Tessa? Niet populair? Tot haar onwettige verdwijntruc stond zij bij alle mannelijke collega’s in de top drie van favoriete one-nightstands. In een lerarenkamer is de visvijver voor one-nightstands behoorlijk verzuurd, maar kom, het zegt toch iets. Als je van het samenstellen van zo’n top drie een opgave wilt maken, juist omdat er te véél keuze is, moet je de visvijver uitbreiden tot de dames van onze vijfde en zesde leerjaren. Maar goed, da’s een ander verhaal. Op basis van mijn oorvinksessies heb ik de sterkste vermoedens dat Tessa na een avondje doorzakken met collega’s ook de top drie van one-nightstands van echtgenoten van vakcollega’s heeft bereikt. Gevolg: data en locatie van vakvergaderingen werden op het allerlaatste moment ad valvas veranderd. Handouts werden niet meer meer gekopieerd voor de hele vakgroep. Uitstapjes of projecten werden gepland op maandagvoormiddag. Maandagvoormiddag is voor iedereen even slopend, tenzij je de avond ervoor tot een stuk in de nacht hebt bijgeklust in de horeca, om de zorgen daarna nog even door te spoelen met de andere diensters.

Na zes weken afwezigheid, waarvan vier wettelijk, zou Tessa eindelijk terugkeren. De lessen waren gedaan, er restte haar alleen het verbeteren van de examens. De rode loper haalde niemand echter boven. Integendeel, haar vakgroep was niet van plan om de examens door te spelen aan haar. Ze kon op de allerlaatste nipper zelf maar een examen opstellen. Frustratie botvieren op iemand anders, is altijd goedkoper dan een angstremmer en het kan rekenen op meer sociale bekrachtiging. Er komt ook geen bijsluiter met eventuele bijwerkingen aan te pas. Het gekonkel hoorde ik met het nodige medelijden aan. Niet voor Tessa, maar voor haar gifmengsters. Hoe klein is je wereld als het boycotten van een collega het gewicht krijgt van een internationaal embargo tegen een schurkenstaat met een kernprogramma?

Normaal houd ik mij buiten dit soort intriges. Ik doe er hoogstens mijn voordeel mee door de bekomen informatie uit te spelen tegen de juiste mensen in de juiste omstandigheden en op het juiste moment. Ik ben graag populair, verbaast je dat? Nu, in deze kwestie ging mijn sympathie helemaal uit naar Tessa. Om de biologisch eenvoudige reden dat zij mooier en wulpser was dan haar vijanden. Ik legde clandestien een kopie van het examen in haar vakje. In een ondoorzichtig mapje wel te verstaan. Mannen moeten er alles aan doen om mooie vrouwen te beschermen, zij staan alleen terwijl de gieren zich verzamelen in gretige doodseskaders. Je kan van mij zeggen wat je wil, maar ik weet waar ik van geniet. Ik geniet van mooie vrouwen en gieren die sterven van honger. Haar vakcollega’s plantte ik de parabel van de barmhartige samaritaan in hun vakje. Ik stak er een briefje bij: ‘Duizend keer gelezen en nooit ter harte genomen.’

Als plezant gênant wordt

Was ik te ver gegaan? Dat vroeg ik mij af, alleen in die klas met Jamal. Hij stond voor mij met een mes. Een veel te kort mes om mij dood te maken. Maar toch, lang genoeg om te weten dat er een probleem was.

Als mijn collega’s kritiek hadden op mijn gewoonte om politiek niet helemaal correcte moppen te vertellen tijdens de les, zei ik: ‘Politiek correct is pedagogisch corrupt. Ik ben er niet voor om de school als een eiland te maken waar alles o zo vredig en conflictloos is. In de echte wereld kan niemand zich verbergen voor grove moppen. De leerlingen moeten hier tegen gewapend zijn. Humor voorkomt dat ze op een dag een politieke incorrecte filmmaker of cartoonist een mes in zijn buik ploffen.’

Wilde ik om mijn punt te bewijzen nu zelf zo’n messteek incasseren? Of had ik dat alleen gezegd omdat ik zo graag moppen vertelde?

Ik zei nog een keer dat ik het zo niet bedoeld had. Dat het een mop was. Een debiele mop. Eentje voor mensen die makkelijk lachen. Hoeveel negers heb je nodig om een muur zwart te verven? Niemand die het weet?

Wel, dat hangt er dus vanaf hoe hard je ze tegen de muur gooit. Had ik in het Frans verteld. Ik vertel graag moppen tijdens de les. Dat zijn mijn leerlingen ook gewend. Ze smeken er mij om. Ik vertel ze wel in het Frans. Het nuttige aan het aangename koppelen. Ik ben er als de dood voor dat de leerlingen mijn lessen niet plezant vinden. Nooit bij stil gestaan dat iemand mij daarom zou willen dood maken.

Ik geef niet eens les aan Jamal. Wel aan zijn zus, Shadee. Die leek niks tegen mijn mop te hebben. Gelachen had ze natuurlijk niet. Ze had eigenlijk gewoon niet gereageerd. Ik moet eerlijk zeggen, als ze die dag niet net van plaats waren verhuisd, had ik ze in die klas niet verteld. Normaal zat ze helemaal vooraan. Nu helemaal achteraan. Pas toen de klas plat van het lachen ging, zag ik haar zitten. Ja, mijn leerlingen lachen zich een beetje te nadrukkelijk plat. Dat doen ze om mij aan te moedigen. Als ze mij niet vleien met hun lach, vertel ik er misschien geen meer.

‘Jamal, één van mijn beste vrienden is zwart. Het was gewoon een mop.’ Als hij nu eens wat zou zeggen, dan raakten we hier vast wel uit. Maar hij zegt niks. Hij laat het mes spreken. 17 is die jongen. Eén brok spieren. Zijn sixpack puilt door zijn oranje T-shirt. Als hij mij echt pijn wil doen, heeft hij dat zakmesje niet nodig.

‘Kijk, ik had even goed kunnen vragen hoeveel blanken je nodig hebt om een muur wit te verven. Het gaat om de twist in de mop. Dat je hen er tegen gooit, in plaats van echt aan het verven zet.’ Zouden mijn leerlingen echt even hard gelachen hebben als ik blanken had gezegd? Met een mes voor mijn neus wil ik me dat wel voorstellen.

‘Ik heb echt niks tegen zwarten, Jamal.’ Ik kijk naar de klok achter hem. Ik moet eigenlijk al lang voor een andere klas staan. ‘Jamal, kijk, ik verontschuldig mij nog eens tegenover jou en je zus. Ik had het echt niet verkeerd bedoeld.’

Jamal snijdt in zijn arm. Fuck, denk ik, die jongen is echt razend. Ik kijk naar zijn arm, maar er komt geen bloed. Hij kijkt mij aan met een brede glimlach. ‘Plastic’, zegt hij. Hij schaterlacht. ‘Ik kan ook moppen maken, hoor’, zegt hij fier. Ik probeer te glimlachen. Pak mijn spullen. Op de gang vraagt hij: ‘Wat krijgt een blind, verlamd, doofstom mongooltje voor Kerstmis?’ Ik zeg: ‘Geen idee.’ Hij steunt met zijn hand op mijn schouder en lacht zich slap als hij zegt: ‘Kanker.’
Ik ben die leerkracht met zijn moppen, dus hij denkt dat hij mij een cadeau doet. ‘Salut, maat’, zegt hij als hij een andere gang inslaat. Als je moppen vertelt, ben je hun maat. Moet ik mij daar aan storen? Ik stel me collega’s voor die zouden horen dat de leerlingen mij ‘maat’ noemen. En yup, ik stoor er mij aan.

Regel: als je tien minuten te laat komt in een klas, stap je ofwel een luidruchtig, doch gezellig praatcafé binnen of een spontaan volksfeest met rondedansen en hier een daar een vechtpartij. Het is een klas Latijnse, dus gelukkig geen vechtpartijen. Heb mijn portie geweld al gehad vandaag.

‘Mijnheer, mijnheer! Beginnen we met een mop, mijnheer?’

21 leerlingen. Wat is de kans dat er thuis één een broer of zus heeft met het syndroom van Down?
Hen eerst die vraag stellen, valt natuurlijk te veel op.

‘Jens, sorry, maat, we zijn al een kwartier kwijt. Ik weet zeker dat jullie al goed hebben kunnen lachen. We gaan er hier eens invliegen. Werkboek pagina 36.”

Geweeklaag alsof ik 21 recent geboren puppies los trek van de mama en in een bad vol ijs gooi.

“Allez, mijnheer, dat is echt niet plezant. Ik wou dat we al Nederlands hadden. Mijnheer De Munck doet mij vergeten dat ik op school zit.”

Godverdomme, die zit. In vergelijking daarmee was dat mes voor mijn neus een onschuldig boterbloempje.

Ik sla mijn boek luid open. Krachtdadige robotische bewegingen, dat houdt hun aandacht vast en wat theatriliteit stimuleert mimese, zodat ze mij na-apen en hun boek tenminste open doen.

De Munck. Meer dan 800 friends op facebook. Ik zit aan 520. En ik weet dat hij ’t zelfde principe heeft als ik: alleen toevoegen als het friend request van de leerling uit gaat.

Ik haal eens diep adem:

”Wat krijgt een blind, verlamd, doofstom mongooltje voor Kerstmis?’

Niemand?

“Le cancer.”

Ik rek mij eens goed uit. Nonchalant doen stelt hen op hun gemak. Maar ze snappen het zeker niet? Niemand lacht. Ik hoor alleen een stoel verschuiven. Lucy staat op en loopt buiten. Tranen over de wangen.

Er zijn zo van die dagen dat rekken vullen in een supermarkt als een goeie carrièremove klinkt.

Ik ben in die klas anderhalve week blijven steken op pagina 36. Ze zijn met mijn nieuwste mop niet bij de directie gelopen om die ook eens goed te doen lachen. Zoveel krediet had ik nog wel. Ze hebben ook niet meer om andere moppen gevraagd. Lucy lag goed in de groep. Haar zusje hadden ze allemaal als gemeenschappelijke facebookvriendin.

Ik vraag nog aan de Munck wat zijn geheim is om sfeer in zijn lessen te brengen. ‘Goh, geheim? Ik vertel veel persoonlijke anecdotes. Neem mijzelf niet te serieus, maar wel mijn vak. En ik leg de nadruk op dingen waar ze praktisch nut bij hebben.’

‘En moppen?’, vraag ik.

‘Nee, dat niet. Moppen vinden ze zelf wel Daar hebben ze mij niet voor nodig.’

Persoonlijke anecdotes. Die keer dat ik in dat klooster in Zuid-Frankrijk samen met een maat gedaan had alsof we alle twee een opleiding als priester volgden om gratis te kunnen overnachten.

Nee, misschien toch ook maar beter geen persoonlijke anecdotes. Misschien moet ik er mij bij neerleggen. Als een les te plezant wordt, is het geen les meer. Waarom ben ik eigenlijk geen stand-up comedy gaan doen? Daar betalen mensen u om op hun tenen te trappen.

De moppen heb ik vervangen door elke les te eindigen met twee pagina’s Asterix. Subtiele humor, in het Frans, die niemand tegen de schenen schopt. Ik heb geen Romeinen in mijn klassen. Uiteindelijk is dat toch het kenmerk van superieure humor: er wordt niet gelachen ten koste van een ander.

Ik geef nu les in een sfeer van blijde verwachting. We hebben er nog nooit zo snel zo veel oefeningen doorgejaagd. Zij lijken dat wel aangenaam te vinden. Op facebook zit ik aan 633. Er heeft mij niemand meer met de dood bedreigd- fake of niet- en ik heb niemand meer doen wenen. Dat is toch een troost in mijn verveling. Ik had echt stand-up comedian moeten worden. Maar ik ben te bang dat het publiek zich niet plat zou lachen. Als stand-up comedian kan je het publiek tenslotte niet buizen. Zo’n publiek is ook veeleisender. Mijn leerlingen lachen al als ik mijn knie stoot tegen een lessenaar of mijn stuk krijt in twee breekt. Sinds ik geen moppen meer vertel, gebeurt mij dat trouwens steeds vaker.

Ik kan geen les geven als ze niet lachen. ’t is pure compensatie.Het kind in mij schaamt zich nog altijd dat ik leerkracht ben geworden.

A-team (A is for alcohol)

‘Je moet mij helpen.’, hoorde ik via de luidspreker van Abels telefoon.

Abel, Clay en ik hingen aan de toog. Het was zaterdag. ’s Ochtends gingen we een uurtje badmintonnen. Dat vonden we al een hele prestatie. En achteraf gingen we een biertje drinken. Een biertje of vijf, zes. Meestal zeven of acht.

‘Je moet me echt helpen’, klonk het weer door de telefoon. ‘O nee, ik geloof dat ze er is’, hoorde ik nog en daarna niks meer.

Ik vroeg Abel wat er aan de hand was. Hij keek zorgelijk naar zijn mobiel en keek dan naar mij. Met een diepe zucht zei hij: ‘Ik heb een makker die, euhm, bepaalde echtelijke problemen heeft. Al een hele tijd. Maar zo heb ik hem nog nooit horen klinken. Ik denk dat ik er best naar toe kan gaan.’

Alsof er telepathie in het spel was, stuurde de makker nog een sms. Een ware sos-kreet. ‘Gevaar. Haast je.’

‘Nou, daar moeten we op af’, zei Clay.

‘We weten wel niet wat er precies aan de hand is,’ zei ik.

‘Nou, dat ontdekken we dan toch meteen,’ zei Clay.

Hij leegde zijn pul bier en kocht van de barmeid drie flessen wijn. Ontkurkt. Ik keek hem zo vragend aan dat hij zei: ‘Voor onderweg, kerel. We mogen niet riskeren dat we droog vallen.’

Clay reed in die tijd met een open jeep. Voorin was betrekkelijk weinig plek. Slechts genoeg ruimte voor de bestuurder en de passagier. Eigenlijk was er plaats voor twee passagiers, maar op 1 zetel lag een hele berg cd’s. Een grabbelzetel van cd’s. Clay hield wel van een stevig rockdeuntje als hij reed.

Ik ging achterop, in de open laadbak. Van dat sporten voelden mijn spieren aangenaam warm en een beetje stram aan. Ik was ook al aangeschoten door die biertjes en die wijn hielp natuurlijk ook niet echt. Bovendien scheen de zon, dus ik legde me languit in die laadbak. En zo met de zon op mijn gezicht, lag ik daar gezellig, terwijl Clay wegscheurde. Het leek wel alsof ik dreef op de oceaan. Fantastisch was dat. En er gebeurde nog eens wat. Af en toe richtte ik me op en wierp een glimp over de rand van de laadbak. Het was lenteweer en dus korterokkentijd. Drie vreemde kwieten in zo’n oude oorlogsjeep dat lokte glimlachjes uit op de snoeten van die hard mooie vrouwen.

‘Hoe zit die makker van jou nou precies in de rats?’, hoorde ik Clay vragen. Abel zei: ‘Nou, dat is dus een hele historie. Een tragische geschiedenis van diepe liefde. Een liefde zo diep, dat wij, als buitenstaander, die niet kunnen begrijpen. Zijn vrouw kent geen maat. En hij is na al die jaren nog steeds zo smoorverliefd op haar dat hij zich door haar laat uitpersen.’

Clay vroeg: ‘Moeten wij dat wijfie van hem soms in zijn plaats gaan vogelen?’

Abel: ‘God nee, ze is in staat om je hoofd af te bijten. Maar niet vóór je er zeven keer tegenaan bent gegaan.’

Stilte. Ik vroeg me intussen af of ik al wat gebruind was in mijn gezicht. Ik rolde mijn trui op en bolde die als een kussen onder mijn hoofd.

‘Nee, nee’, ging Abel verder, ‘Het is eigenlijk allemaal veel erger. Hij is nu net thuisgekomen en alles is weg.’

‘Hoezo, alles is weg?’

‘Wel ja, alles is dus weg. Hij kwam net thuis en het hele huis is leeg. Helemaal leeg.’

‘En dat heeft zij gedaan?’

‘Ja.’

‘En de reden?’

‘Hij wilde geen kostuum aan op haar tuinfeest laatst.’

‘Wat?’

‘Ja, echt waar. Hij wilde geen kostuum aantrekken. Daar heeft ie een hartstochtelijk hekel aan. Nu, op het tuinfeest zelf verscheen ie in een rode trui en een yeans. Haar leek het stoïcijns koud te laten, maar nu vandaag, is het zover. Haar grote wraak.’

‘En wat doet die vent in het leven?’

Ik hoorde Abel een flinke teug wijn naar binnen klokken.

‘Hij doceert geschiedenis. Die man weet echt ontzettend veel. Over alles.’

De jeep ging aan kant en stopte. Ik hoorde Clay zeggen: ‘Sorry jongens, ik moet ook even bij tanken. Ik wierp een blik naar voren en zag hoe Clay zijn fles wijn van Abel overnam. Die jongen kon gestoord snel drinken. Zat dan ook al jaren in diplomatieke dienst. Na het leger, zijn ambassadekringen het beste beroep om vreselijk te leren zuipen. Op een mooie derde plaats, komen theaterkringen. Daar zat ik zelf in, dus ik wist er ook wel weg mee. Abel was een zelfstandige, kinderloze vrijgezel met een passionele liefde voor literatuur en vrouwen. Als die het niet op een zuipen zette, lag hij morgen al op het kerkhof.

‘Ok, zo kan ie weer,’ zei Clay en hij gaf gas.

Abel gaf instructies.

‘Hij woont net buiten het centrum. Je herkent hun huis meteen. Er staat een stalen afspanning afgezoomd met spitse toppen voor hun tuin.’

Een hele tijd was het stil.

Clay riep: ‘Zeg, leef jij nog daar achter?’

Ik zei: ‘Ja, ja.’

En ik dronk van mijn fles. Ik drink, dus ik leef.

‘Is het daar?’, vroeg Clay aan Abel.

‘Ja, daar heb je de hel.’

Clay ging bruut op de remmen staan. Gelukkig had ie al flink gedronken. Ik zou nooit in de auto gekropen zijn bij een nuchtere Clay. Nuchter rijden was ie niet gewend.

‘Lijkt wel een burcht’, zei Clay.

Ik had moeite om mij op te richten. Ik kon wel slapen met al die wijn en die zon.

‘O jee’, zei Abel.

‘Wat?’, vroeg Clay.

‘Kijk daar boven eens.’

‘Godsamme, die meid is echt kierriewiet’, zei Clay.

Ik stapte toch maar uit en tuurde naar die gevel. Traag maar gestadig klom een zwarte figuur omhoog.

‘Wohow, zie die benen aan die griet’, zei Clay.

Het was even stil. Zij ging gestaag hoger. Geconcentreerd. Alsof er op de hele wereld niets anders meer was dan zij en die gevel. Wij met onze drie leken wel een nerdig groepje ornithologen dat een adelaar ziet zitten in een hoge sequoiaboom of zoiets. Toen we plots ook een stukje van haar kont zagen, zeiden we om beurt:

‘Mooi.’

En dan weer stilte.

‘Wat is hier nou de bedoeling van?’, vroeg Clay uiteindelijk tussen twee slokken door.

Ik nam zelf ook nog een slok. Clay zien drinken gaf altijd dorst.

Abel zei: ‘Kennelijk heeft ze toch nog niet álles.’

‘Wat doet zij eigenlijk van beroep?’, vroeg ik.

Ik kon me moeilijk voorstellen dat zo’n vurige tante gewoon huisvrouw was.

‘O, zij is fundraiser.’, zei Abel.

‘Fundraiser?’, vroegen Clay en ik in koor.

‘Ja, voor goede doelen en zo. Alleen niet voor de kankerliga. Dat vindt ze boerenbedrog. De farmaceutische industrie heeft geld genoeg om medicijnen te ontwikkelen. Daar moet niemand verder nog geld in pompen.’

Ondertussen kwam zij eindelijk bij een raam. Beneden waren ook wel ramen, maar daar zaten tralies voor. Smeedwerk met bloemetjes, maar toch onmiskenbaar tralies.

‘En nu?’, vroeg Clay. ‘Gaat ze nou haar vuist door dat raam jagen?’

De vrouw trok behendig een bloedrode schoen met hoge hak uit. En alsof het een hamer was, sloeg ze daarmee het raam aan diggelen. Twee gemene tikken volstonden.

‘Hoe heet ze eigenlijk?’, vroeg ik.

‘Suzanne’, zei Abel.

‘En hij?’

‘Joris’, zei Abel, ‘maar ik noem hem altijd Job.’

Suzanne plukte wat glasscherven weg en maakte het raamkozijn vrij. Daarna klom ze op de vensterbank en verdween ze als een limboodanseres door het raam.

Meteen daarop zwaaide beneden de voordeur open. Een man spurtte naar ons toe. Hij had een bruin deken over zijn hoofd geslagen. In zijn ene hand droeg hij een plastic box met handvat. In zijn andere een dikke stapel papieren, dichtgebonden met een uitgerafeld stuk touw. Het was veel te lang en wapperde achter hem aan als een staart. Boven hoorden we vloeken. Suzanna hing uit het raam en gooide haar hakken naar hem.

‘Vandaar de deken,’ legde Abel uit.

‘Ach, juist ja.’ Clay en ik knikten.

‘Makker, waar bleef je toch zo lang?’, vroeg die vreemde snuiter. Net een monnik met een rattenstaart.

Job zette de plastic box in de laadbak. De stapel papieren knuffelde hij stevig tegen zijn borst. Zijn handen waren vuil, ze zaten onder de aarde. Toen hij zag dat mijn blik op zijn zwarte vingers viel, zei hij:

‘Sorry, ik moest mijn manuscript opgraven en de spade was weg.’

Hij keek naar Abel en zei: ‘Kunnen we nu alsjeblief weg? Ze is zo beneden, hoor.’

Job wipte in de laadbak. Opvallend kwiek voor iemand met zo’n buik als die van hem. Hij had ook een lange grijze baard. Als ik als kind God moest tekenen van de juf, tekende ik iets dat sterk op deze Job leek.

Clay kroop snel achter het stuur. Zette natuurlijk eerst die fles nog eens aan zijn lippen. In het ergste geval was hij toch diplomatiek onschendbaar. Abel stapte terug in en ik ging terug in de laadbak. Net op tijd, want daar was Suzanne al. Op blote voeten stormde ze op de jeep af.

We reden weg. Zij bleef achter en lachte hysterisch: ‘Onze trouwdatum. Haha, onze trouwdatum. Sentimentele vod!’

‘Wat bedoelt ze?’, vroeg Abel.

‘De code van de safe op onze zolder. Ik had onze trouwdatum genomen. Ik wist toch dat ze die safe zou kraken.’

‘Wat zat er in die safe?’, vroeg ik.

‘De orginelen van onze trouwfoto’s’, zei Job.

‘Maar zij verwachtte natuurlijk iets anders?’, vroeg Abel.

‘Ja, mijn manuscript.Die safe heb ik alleen gekocht als afleidingsmanoeuvre.’

‘Waar gaat het over?’, vroeg ik.

‘Over de val van de Romeinse republiek en de toekomst van de Amerikaanse republiek. Ik trek parallelen. Dar ze mijn manuscript verbrandt, is eigenlijk mijn enige vrees. Mijn manuscript en mijn kat.’

Hij had het manuscript onder zijn hemd gestopt. Die buik van hem leek het nu opgeslokt te hebben.

‘Zeg, hebben jullie soms iets te eten? Het is vast geleden van haar tuinfeest dat mijn kat nog iets te eten heeft gekregen. Als ze mij niet kan straffen, werkt ze het uit op mijn Leopold.’

Ik keek in de plastic box. Een grijze kat met zwarte strepen deed alsof hij zijn ogen dicht had en de rust zelve was. We hadden thuis altijd katten gehad, dus ik kon wel zien dat het een pose was. Dat beest was doodsbang.

‘Wat doet ze dan met hem?’, vroeg ik.

‘Geen eten geven. Om te beginnen’, zei Job.

‘Draait ze niet ook die plaat met dat wolvengehuil? Of doet ze dat niet meer?’, vroeg Abel.

‘O jawel, ik heb die plaat eens express te lang in de zon gezet, maar de volgende dag had ze al een nieuwe. Geen idee waar ze die koopt. Leopold is er als de dood voor.’

‘Ik heb hier ergens wel nog wat salami’, zei Clay.

‘Mja, maar daar krijgt ie zo dorst van’, zei Job. Hij legde de bruine deken over de box. ‘Misschien slaapt hij dan wat.’

We reden een tijdje in stilte. Tot Clay vroeg:

‘Waar gaan we eigenlijk heen?’

Abel zei: ‘Als je hier naar links gaat, weet ik een leuke kroeg zijn.’

In de kroeg vertelde Job wat er gebeurd was. Na dat tuinfeest moest hij een lezing geven op een congres. Toen hij weer thuiskwam, was het huis leeg en zij was pleite. De kat ook. Maar die kon hij terug in huis lokken.

‘Als ik de carmina burana zing, weet hij dat hij heel dringend terug moet komen’, zei Job terwijl de serveerster drie grote pullen bier bracht. Ik zelf bleef bij wijn. Voor de kat kwam er bloedworst en een schaal water.

‘Wat een muzikale kat’, zei ik. ‘Maar waar haal je die box? Het huis is toch leeg?’

‘Die box verstop ik in de struiken achter ons huis. Voor noodgevallen als deze,’ zei hij terwijl hij Leopold, door de tralies van de box, stukjes bloedworst voerde.

‘En hoe moet het nu verder?’, vroeg ik.

‘Straks, over een tweetal uurtjes, belt ze. Dan zegt ze dat het een schande is dat ik zo lang van huis blijf. Dat ik dringend thuis moet zijn. Dan vraagt ze om iets te repareren of zo. Dat raam dat ze gebroken heeft bijvoorbeeld afplakken met tape of zo.’

‘En dan?’, vroeg ik.

‘Wel, dan kijkt ze de hele tijd terwijl ik dat raam afplak nog heel kwaad. En dan als het karwei gedaan is, raakt ze mij kort even aan bij mijn bovenarm of zo. Of ze vraagt of ik thee wil. Net of ik de buurman ben die voor het eerst langs komt en iets repareert.’

‘En dan?’, vroeg ik.

‘Keiharde seks’, zei Abel.

‘Precies’, zei Job. ‘En dan de volgende dag moet ik mijn lessen aan de unief afblazen, want dan moet ik de verhuiswagen met onze spullen natuurlijk uitladen.’

We dronken nog een rondje en daarna nog eentje. Op den duur waren we zo dronken dat we voor onszelf ook bloedworst bestelden. Met zuurkool. Niet te vreten. Maar het paste bij de dag op de een of andere manier.

Twee uur later kwam inderdaad de sms. Job moest naar huis. Dringend. Het tochtte boven. Aan dat kapotte raam moest echt iets gedaan worden.

Job stond op. Gaf Leopold en het manuscript in bewaring bij Abel. ‘Gewoon, voor de zekerheid.’

‘Ik ga wel te voet’, zei hij. ‘Het is beter als ze jullie niet ziet.’ En weg was hij.

Terwijl ik eerst medelijden had gehad met die man, wist ik nu niet meer wat ik moest voelen.

‘Kijk’, zei Abel, ‘ik ben opgelucht en tegelijk treurig dat op jullie gezichten de zelfde vraagtekens staan als op het mijne. Als ik afscheid neem van Job heb ik altijd twee bedenkingen: Primo: heb ik eigenlijk ooit echt liefde ervaren? Ik bedoel liefde waarbij je niet meer weet waar jij begint en de andere eindigt. Dat soort liefde. En secundo: zie ik hem ooit nog terug? Want voor het zelfde geld maakt ze hem de volgende keer natuurlijk gewoon koud. Of berijdt ze hem net zolang tot hij een hartstilstand krijgt.’

We verhuisden van een tafeltje naar de toog. Abel zette Leopold op de toog. Zei tegen de barmeid: ‘Wees lief voor hem. Hij heeft het niet makkelijk, deze Leopold.’

We bestelden nog een rondje en dronken in stilte. Keken zo hard in ons glas, dat het leek alsof we elk moment verwachtten dat een geluksengel zou oprijzen uit dat alcoholische vocht.

Toen die engel op zich liet wachtten, vroeg ik de barmeid, best een aardig ding, met twee vlechten en zo’n vriendelijke glimlach dat je alleen al daarom een hele dag naar haar kon kijken:

‘Kun jij een gevel beklimmen? Met hoge hakken aan?’

‘Wat?’, vroeg ze.

Ik was al lang blij dat ze mijn vraag niet compleet negeerde en zei verder maar niets meer.

We dronken nog eentje. Ook weer in stilte. Daarna hielden we het voor bekeken. Abel nam het manuscript op. Er dwarrelde een foto uit. Polaroid. Een strand. Suzanne in de nek van Job. Zij als een filmster uit de jaren zestig. Een glimlach als van een tandpastareclame. Hij toen al vet, maar tegelijk toch massief gespierd. Abel raapte hem op en stopte hem terug.

Ik zei: ‘Dat hij die kat achter die tralies bij ons laat, is alsof hij tegen die kat wil zeggen: blijf jij nou maar bij die andere drie gekooiden.’

Clay zei: ‘Sodemieter toch op, jong. Jij kan iemand die pas het grote lot heeft gewonnen, de zelfde dag nog de strop aanpraten. Ga je roes uitslapen.’

Ook in de jeep was het stil.

De meisjes op straat lachten niet meer.

Die Job had ons het gevoel gegeven alsof wij drie emotionele woestijnen waren, waar geen distels meer groeiden, maar ook geen rozen.

Begrafenismuizenissen

“’t is familie. Je gaat.”

Ik moet mee naar de begrafenis van een soort oom. Mijn moeder staat er op. Ik kan haar niet aan haar verstand brengen dat ik daar überhaupt niks verloren heb. Ik mag protesteren zoveel ik wil, ma is onverbiddelijk. Als ik vraag of ik dan tenminste iets mag voordragen of een liedje mag spelen, roept ze verschrikt uit:

“Ben je gek? Je grootouders zitten in die kerk!”

“Ja, laat ons vooral vermijden dat oma en opa weten wie hun kleinkind is.”

“Kan me niet bommen. Je speelt geen noot op die rammelkast van je en je leest niks voor.”

“Stel je voor dat iemand de waarheid zegt, hé.”

“Nee, jij leest niet voor. Eén sterfgeval volstaat.”

“Als hij nog in leven was, gingen we er nooit langs. Nu hij dood is moeten we met z’n allen zitten snotteren aan die kist. Hoe hypocriet is dat?”

“Je doet het voor de familie.”

“Maar…”

“Je gaat.”

Zij haar zin. Om 9u ’s ochtends zit ik in de wierrook, ja, het is een old school ceremonie. In de kerk zitten we opeengepakt als sardientjes. Dat is niet de meest religieuze vis. Dus misschien plegen we wel heiligschennis. Er speelt van die muziek die je soms ook hoort in horrorfilms. Het volk blijft binnenbinnenstromen. Achteraan staan ze al recht. Ik zit tussen mijn ouders met mijn duimen te draaien. Het doodsprentje heb ik al twee keer gelezen. Een dialoog tussen een eik en een eendagsvlieg. Je leeft intenser als het leven kort is. Dat is de boodschap. Een oproep in de trant van ‘Die young, stay pretty.’ Slimme zet van de begrafenisondernemer. Ik tuur eens goed rond. Voor de meeste bezoekers is het al te laat. Ze zijn niet pretty meer. Oude mensen zijn er op begrafenissen als de slachtrijpe kippen bij om zich er van te verzekeren dat er ook volk naar die van hun komt. Mijn aanwezigheid trekt de gemiddelde leeftijd naar beneden tot 72,2222… Nee, ik lieg. Op de rij voor mij zitten vier bakvissen van om en bij de 15 jaar. Mijn pa kijkt er naar en zegt:

“Dat jong geweld neukt lekker. Alleen spijtig dat je de volgende dag zo vroeg uit bed moet om ze naar school te brengen.”

Van links werpt moeder een boze blik.

“Van zodra ze tieten hebben, kun je er op.”

Er volgt een bozere blik. Ik denk na over mijn vader en bedenk dat het logisch is dat ik zo ben. Mijn pa is niet normaal, Cybil is de eerste om dat te bevestigen. Ze heeft de familiebarbecue van vorige zomer nog steeds niet verwerkt. Ik had haar nochtans gewaarschuwd. Ik glimlach als ik denk aan de ravage die onze tuin was na afloop. Te oordelen naar de fonkeling in zijn ogen, is hij vandaag in een gelijkaardige bui.

“Staat er gras op, dan mag je erover.”

Links vloeien de eerste tranen. Mijn moeder is hypergevoelig. Pa is tevreden. Kopieert een mens niet de relatie van zijn ouders?

“Daar zul je de zwartrok hebben.”

Pa liep zijn kerkelijk trauma op in de jaren ’60. Vooraan zwaait een deurtje open. Twee lange wappers dragen een fossiel binnen. Ik denk: als dat de priester is, hoop ik dat er ook een dokter in de zaal is.

“Die hebben ze van een kleuter moeten sleuren.”

Het snikken links gaat steeds harder. Ik vind mijn vader grappig, maar ik heb ook medelijden met mijn moeder. Tweespalt is mijn ware naam. Het wordt mij steeds duidelijker dat mijn persoonlijkheid perfect te verklaren valt, als ik mijn ouders nader onder de loep neem. Conformisme aan mijn linkerhand en grenzeloze shockeerzucht aan mijn rechterhand. Door mijn ouders te laten copuleren, wilde de Natuur een gulden middenweg vinden tussen twee extremen. Verdienstelijke poging die jammerlijk gefaald is.

De twee engelbewaarders droppen hun lading bij het spreekgestoelte. Ze zetten hem keurig met zijn rimpels naar het volk. Een omwenteling van 180 graden zou hem drie dagen kosten.

De horrormuziek draaien ze eerst nog eens goed luid. Daarna is alles stil. Tenminste, zo lijkt het. Het valt ons nu pas op dat die vier zussen vóór ons, al de hele tijd aan het schateren zijn. Ze zitten net zoals ik tussen hun ma en pa in.

De moeder doet er alles aan om haar dochters te kalmeren. Ze doet mij een beetje aan Cybil denken.

“Zeg jij ook eens iets, Louis.”

“Wat moet ik zeggen, zoet?”

“Dat ze stil moeten zijn, verdorie.”

“Beatrijs, Hélène, Laura, Ondinne, het is nu genoeg geweest hé!”

De brute ingreep van vader heeft niet het gewenste effect.

“Dante, Ronsard, Petrarca en Boon. Literaire familie wel.”, merkt mijn pa op.

“Waarom denk je dat?”, vraagt moeder links van mij.

“Wel, omwille van die meisjesnamen.”

“Kan je een woord vormen met de beginletters?”

Een diepe zucht van rechts.

“Ja. Cultuurbarbaar.”

Stilte links. Tot:

“Dat zijn toch te veel letters?”

Diepere zucht van rechts.

“Nee, dat zijn te weinig namen.”

Terwijl het huwelijk van mijn ouders voor mijn neus aan het wankelen gaat, begint eindelijk de dienst.
De priester doet een geluidstest. Hij blaast in de micro. Wij horen niets. Zijn longinhoud is de boosdoener. Niet de micro. Hier en daar stijgt gekuch op. Het schateren voor ons verergert. Het volgende moment brengt geen beterschap. Met bevende stem zet Dino –mijn pa is een krak in het bedenken van bijnamen – zijn preek in met:

“We zijn hier vandaag samengekomen om te gedenken Piet Versluys. Piet was een actief lid van de parochie, een toegewijde echtgenoot, een liefhebbende vader van zes kinderen…”

Het schateren gaat meteen naar een hogere versnelling. Mensen kijken elkaar vragend aan. Mijn oma valt in zwijm. Dat doet ze graag en vaak. Daar maakt niemand zich zorgen over. Ik begrijp de opschudding wel. Ik vind ‘actief parochielid’ ook een beetje te ver gaan. De man was al jaren aan zijn rolstoel gekluisterd. Dino is een cynisch baasje, denk ik. Maar er zijn mensen die stukken heftiger reageren. Eentje stormt naar voren en springt heel kwiek op het podium met het altaar. Een erg verdienstelijke sprong is dat; 1,5 meter hoog.
De hoogspringer schaart zich aan de zijde van Dino, buigt één meter omlaag en fluistert hem wat in het oor. Dino fronst, kijkt de boodschapper onbegrijpend aan. Iedereen zit in spanning. De atletische souffleur fluistert zijn boodschap nogmaals in. Dino kijkt even kalm voor zich uit. De kerk houdt de adem in. Daarna richt hij zijn blik streng op de bereidwillige souffleur. Hij graait naar de stalen brillenkas van zijn leesbril. Met dit wapen slaat hij herhaaldelijk op de kin van de zelfverklaarde misdienaar.

“Gadverdamme.Dat is toch wat ik zeg! Dirk Verstreep heet die vent. Dat weet ik!”

De soufleur druipt af. Even snel als ie gekomen is. Zijn lip ligt lelijk open. Hij wil zijn gezicht even wassen. Niemand weet waar hij dat kan doen. Iemand stelt het doopfont voor. Het gedienstige slachtoffer rept zich naar het baptisterium. Hij is vast wat versuft van de klappen, want hij duwt de deur van het baptisterium open, zonder te zien wat erop hangt. De deur slaagt terug dicht. Het bordje ‘opgepast verbouwingswerken’ is voor iedereen duidelijk leesbaar. Ondertussen heeft Dino zijn kazuifel glad gestreken. Er zitten wat bloedvlekken op. Hij keert zich naar het volk toe en schreeuwt:

“Wat is me dit voor een janboel?! Iedereen terug op zijn plaats!”

Dino heeft een erg straf stemgeluid. Dat verbaast me van die uitgeteerde lilliputter.

De vier bakvissen gieren het nu uit. De commotie heeft hen zichtbaar deugd gedaan. Hun moeder is iets minder vrolijk. Ze trekt haar kroost vermanend bij de mouwen en deelt links en rechts wat klappen uit. De meiden komen niet meer bij. Eentje is van haar stoel gevallen. Die rolt over de vloer van het lachen. Als ze zich ook nog eens onderpist, valt de moeder flauw, terwijl ze krijst:

“Louis doet toch eens wat. Doe dan toch wat, Louis!”

Op dat moment gaat het licht uit. Als de moeder de grond raakt, vallen ook de drie anderen van hun stoel. De vader duikt naar zijn vrouw. Hij tikt op haar pols en zegt

“Anna, kindje, wat scheelt er aan?”

Mijn vader glundert. “Anna.”, herhaalt hij. “Vreselijk boeiende familie. Hopelijk gooit ze zichzelf niet onder een trein zoals die Karenina.”

“Wat is een Keranija en kunnen we nu wel een woord vormen met de beginletters?”, klinkt het van het links.

“Als we een E hadden wel”, komt er van rechts.

“Hoezo geen E? Hélène begint toch met een E?”

“Als jij het zegt wel.”

“Och, ik zeg al niks meer.”

“Ach, schei uit met dat passief-agressief gedoe. Je bent Ghandi niet. Je eet veel te veel.”

Links van mij verschijnt een verse zakdoek. Eten is een gevoelig punt bij mijn moeder.

Rond Louis en Anna vormt zich een kringetje van bezorgde mensen. Met zijn achten komen ze op hen afgedromd.

“Geef haar wat ruimte.”

“Ja, geef haar wat ruimte.” , zeggen ze in koor.

“’t is hier ook zo verdraaid benepen.”

Samen buigen ze zich nieuwsgierig over Anna heen.

“Misschien moeten we haar polsen nat maken.”

“Ja, goed idee. Waar halen we ’t water vandaan?

“We kunnen wat van de wijwatervaten nemen.”

Er springt meteen een boze non tussen.

“Dat kunnen we niet maken. Niet met wijwater.”

“Waarom niet dan?”, vraagt een bijzonder keurig heertje, maar met geweldig grote zweetplekken onder zijn oksels.

“Dat mag niet. Wijwater is heilig. Dat dient daar niet voor.”

De non klinkt alsof ze op het punt staat om het heertje met het getrimde hitlersnorretje te vermoorden.

“Mozes is toch door de Rode Zee getrokken. Da’s toch ook water?”, reageert de man onversaagd.

“Nou en? Wat heeft dat er mee te maken?”

“Ja, nee, je hebt gelijk. Ik zei zomaar wat.”

“Hou voortaan je klep, ja? Mozes verdient beter dan dat.”

“Nou, wat doen we er mee?”

“Heeft iemand soms wat eau de cologne mee? Dat helpt ook.”

“Waarom zouden we dat nou bij hebben? ’t Is hier een kerk, geen bordeel.”

Het ontgaat mij volkomen waarom iemand eau de cologne zou associëren met een bordeel. Moet je vast een non voor zijn.

“Ik heb een zakfles whisky. Zijn we daar wat mee?”

“Het valt te proberen.”

“Van Paulus mag het.”

Mijn pa onderbreekt met de vraag: ‘Heeft u het dan over de Paulus die het zesde leger liet capituleren bij Stalingrad of over die vent die uit zijn zadel donderde op weg naar Damascus?’

Zijn tussenkomst levert hem een tik op zijn knie op van mijn geïndoctrineerd katholieke mama, maar daar geniet hij juist van.

Louis krijgt het vreselijk benauwd in dat krappe kringetje. Hij valt ook flauw. Zijn dochters vinden het hi-la-risch. De drie anderen pissen zich ook onder.

Die discussie over water in combinatie met de geur van die ondergezeikte meiden, heeft een vreemd effect op mij. Mijn nieren gaan in overdrive. Ik vouw mijn benen over elkaar. Oncontroleerbaar zit ik te wippen. Ik denk dat mijn ma er dadelijk wat van zeggen zal Vanuit mijn ooghoeken zie ik echter dat ze haar blik op oneindig heeft. Mijn pa schudt haar wakker met:

“Zeg, krijg je een verschijning? Da’s de schuld van de wierook, hoor.”

“Ik zit te denken. Ik was glad vergeten dat mijn oom getrouwd was.”

“Maar die is toch helemaal niet getrouwd!”

“Met wie heeft hij dan die zes kinderen?”

“Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.”

“Ja, zeg dan meteen dat ik dom ben.”

“Ai ai ai, dat zeg ik toch niet!”

“Je weet dat ik niet kan ritaliveren.”

“Relativeren, ma.”

Ik moet mij nodig even moeien, maar nog veel nodiger moet ik pissen.

“Hou jij op met zo te wippen!”, bliksemt het van links én van rechts. Externe druk zorgt voor interne cohesie, zei mijn geschiedenisleraar altijd.

“De hele kerk davert er van. Wil je de doden opwekken of zo?”

“Ik kan er niks aan doen. Ik moet vreselijk dringend naar het toilet.”

“Ga er dan één zoeken. De dienst ligt toch even stil.”

Dat is waar. Iemand heeft de brandweer gebeld. Die komen die arme soufleur bevrijden uit het baptisterium. Er staat een kijkfile langs heel de kruisweg. Dino heeft zich wijselijk uit de stramme benen gemaakt. Hij voelt zich vast een beetje schuldig.

Ik wring mij door de massa. Dat is geen sinecure. Eén van de bakvissen heeft mij bij mijn been. Allicht zoekt ze houvast. Ik kan haar niet af schudden. Ik moet veel te dringend pissen. Tot aan de sacristie sleep ik haar mee. Dan ben ik het beu. Ik pak een gewijde kaars en bied haar die aan. Ik zeg:

“Kijk, hier, voor jou. Een kaars.”

“Ge-wel-dig! Dank je wel. Fan-tas-tisch, jong. Echt gewéldig bedankt.”

Daarna ligt ze weer strijk. De kaars rolt uit haar hand. Op die manier ontstaat een klein brandje. Gelukkig is de brandweer daar.

In de sacristie vind ik een deur naar buiten. Een toilet is er niet. Ik kom uit op een binnenplaats. Aan één kant is die open. Daar is een boomgaard. In de buurt van clerici vind je altijd boomgaarden. Achter één van die bomen ervaar ik het meest intense ogenblik van mijn leven. Ik denk dat de boom het zelf ook lekker vindt. Ik voel mij in perfecte symbiose met de natuur. Als ik klaar ben, hoor ik ergens oosterse muziek spelen. Dat komt niet uit de kerk, denk ik bij mezelf. Eén van de bijgebouwen heeft de deur openstaan. Ik steek mijn hoofd door het deurgat en piep naar binnen. Ik ontwaar een zaal vol mensen. Aan de voorste muur hangt een gigantisch spandoek. Er staat op geschreven met felle kleuren die wild uiteen lopen.

‘JANK!’, staat er te lezen. Met als ondertitel: ‘Ik wil het!’.

Ik ben er zeker van dat ik bij een experimentele kunstenaarsgroep ben terechtgekomen. Op de achterste rij wenkt iemand mij. Een vrouw heeft nog een plaatsje vrij. Ik ga in op het aanbod. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt.Vooraan zit een Aziaat op een bankje. Hij speelt sitar. Een klein blond meisje danst op de tonen van zijn muziek. Ik schat haar zeven of acht. Haar bewegingen zijn adembenemend sierlijk. Ze straalt een sterke, innerlijke harmonie uit. Ik heb nog nooit zoiets gezien. Alsof je naar de versnelde opname kijkt, van een bloem die ontluikt in de glinsterende dageraad. Het applaus is oorverdovend. In het zaaltje hangt een mystiek sfeertje. Het doet mij denken aan een Indiaanse zweettent. Alleen zweten de mensen niet. Ze wenen. Dit zijn nou neo-hippies. Fijn, dent ik. Hebben we dat ook gezien. Ik wil teruggaan naar de dadaïstische voorstelling in de kerk. Mijn buurvrouw houdt mij tegen:

“Bent u met het vliegtuig gekomen?”

“Euh, neen. Ik ben te voet gekomen.”

“Woont u in België?”

“Ja, ik ben een Belg.”

“O, je bent genaturaliseerd. Mooi zo. Bent u met een Belgische getrouwd?”

“Ik ben als Belg geboren.”

“Ow sorry. U bent geen Thai?”

“Nee, dat ben ik niet.”

“Weet u het zeker?”

“Heel zeker.”

“U ziet er nochtans erg Thais uit.”

“Ja, maar toch.”

“Bent u dan familie?”

“Familie van wie?”

“Nou, van de overledene.”

Eén en ander wordt mij duidelijk. Ook de diavoorstelling. Die begon met een guitige baby en eindigde met een zieke opa.

“Nee, ik ben geen familie. Ik kom van de begrafenis hier naast. In de kerk.”

“Ow; leuk, welkom. Wie wordt daar begraven?”

“Daar is discussie over.”

“Was het lijk verkoold?”

“Kan nog gebeuren. Als de brandweer weg is.”

“Ow, kwam die voor jullie?”

“Ja, we hebben wat technische problemen.”

“Ow, wat grappig. Nou, fijn dat je er bent. Blijf rustig zitten.”

“Dank je. Ik ga geloof ik eens kijken of ’t opgelost raakt.”

“Kom je straks naar het afscheidsfeest?”

“Euh, ik geloof niet dat ik uitgenodigd ben.”

“Nou, dan ben je het nu wel.”

“Dat is heel lief van u. Maar ik zal toch moeten bedanken. Ik ken hier namelijk niemand.”

“Ach, wat geeft dat nou. Er bestaat geen ik. Ik is een illusie. Wij zijn allemaal deel van één brok kosmische energie. We zijn allemaal sterrenstof.”

“Da’s heavy shit.”

“Heeft u shit bij?”

“Excuseer?”

“Heeft u gras bij?”

“Euh, nee. Sorry.”

“Geeft niks. We hebben er zelf. Zul je komen?”

“Euh, misschien.”

“Het is in de zaal hier recht tegenover. Daar hebben ze een toog. Er is Thais buffet voorzien. Echt iets voor jou.”

Ik knik beleefd en ga er vandoor.

Als ik terugkom, is de kerk al aan het leeglopen. Ik zoek gauw mijn ouders op.

“Is de dienst al afgelopen?”

“Ja, de volgende stond al klaar.”

“Die vent uit het baptisterium?”

“Nee, die heeft alleen zijn benen gebroken”, zegt vader.

“En een arm”, voegt moeder toe.

“Een arm ook?”

“Ja, en zijn neus. Dat was toen hij van de draagberrie viel.”

“Brak hij toen ook zijn neus? Ik dacht alleen zijn heup.”

“Nee, ook z’n neus.”

Op dat moment huppelt er een non voorbij. Ze zingt een liedje. Het klinkt ongeveer zo:

“Het gebeurde op een keer in Tours
De slager bonkte de bakkersdochter
De kippenboer was stikjaloers
Ja, die vent die mocht d’r
De koster deed het met de blote hand
Die had van vrouwen geen verstand.”

“Wat is er met haar aan de hand?”

“Ze improviseert dronkemansliederen. Ze heeft een zakfles whisky op.”

“Wat doet ze met die Wc-borstel?”

“Ze besprenkelt mensen met wijwater.”

“Veritas in vino.”

“Hou toch eens op met dat Russisch. We verstaan er niks van, jongen.”

“Ja, ma. Is Dino al terecht?”

“Hij heeft zich opgesloten in de kast van de miswijn. De brandweer heeft iemand gestuurd die ervaring heeft met gijzelingsacties.Die kan het beste op hem inpraten.”

“Waarom breken ze die kast niet gewoon open?”

“’t is een antiek stuk. Zelfs ouder dan wat er nu in zit.”

We lopen mee in de begrafenisstoet. Louis en Anna zijn de laatsten. Hun vier dochters lopen schaterend voor hen uit.

“Zeg dan toch iets, Louis. Vind jij dat normaal, soms?”

“Maar wat wil je dat ik zeg, zoet? Als ze niet willen luisteren?”

De non rent een stuk terug. Ze kwakt een flinke scheut wijwater in zijn gezicht.

“Goed voor de potentie. Geef het vrouwtje vanavond eens een stevige beurt.”

Daarna loopt ze terug naar voren. Aan de spits gooit ze de Wc-borstel als een marionettenstok in de lucht.

Twee mensen krijgen de borstel op hun hoofd. De eerste is een vrouw. Die wil geen non slaan. Dus werkt ze haar ergernis uit op haar man. Dat is slachtoffer nummer twee.

Tot aan het kerkhof is het twee kilometer. Na tien minuten marcheren we al door het hek. De begrafenisondernemer legt er de zweep over. Hij zit ontzettend achter op zijn planning. De grafdelvers zijn wat over hun toeren. Ze laten de kist een beetje te snel zakken. We horen een bons en luid gekraak. De houtsplinters vliegen ons om de oren. Mijn oma valt in zwijm. Daar kijkt niemand van op. Tussen de houtsplinters door, zien we wat piepen. De vrouw van de begrafenisondernemer zakt als een slappe pannenkoek de grond op. Mijn oma krabbelt overeind en zegt: ‘Pff, zo’n uitsloofster.’ De bakvissen liggen in een deuk. Dat spreekt. We mogen elk om beurt wat aarde op de kist gooien. Op voorwaarde dat we een spade gebruiken. Zo schiet het beter op.

Als we terug lopen naar de kerk, heeft niemand nog zin in de koffietafel. “Wat doen we met al die sandwiches?”, vraagt oma. Dan valt ze voor de derde keer in zwijm. We zijn bij de parking. De oudste bakvis wordt opeens heel serieus. Met uitgestreken gezicht zegt ze: “Nou, dat was eigenlijk best gezellig.” De moeder geeft haar een klap om haar oren. Het gezin stapt de auto in. Ik hoor de moeder zeggen: “Louis, ik ga weg bij jou.” Louis reageert niet. Op de achterbank wordt niet gelachen. Uit de kerk komen vier brandweermannen. Ze dragen elk een krat wijn onder de arm.

“Zou Dino verlost zijn?”

“Vast wel.”

Mijn ouders willen naar huis toe. Ze hebben het wel gehad. Ik wil liever blijven. In de verte hoor ik de stem van Mick Jagger. “You’re so respectable. Get out of my life. You’re so respectable.” Het afscheidsfeestje is in volle gang.

Ma en pa rijden weg. Mij roept de binnenplaats. De boomgaard ligt er niet meer zo rustig bij. Tussen de appelbomen liggen mensen op dekentjes. Ze roken waterpijp. Elk heeft z’n eigen fles wijn. De vrouw van daarnet springt op.

“Kijk, daar heb je hem. Die kwam net langs. Zeg, nou zelf. Lijkt ie niet sprekend op een Thai?”

Daar gaan we weer. De vreemde vrouw stapt op mij af.

“Ik wist het. Ik wist dat je zou komen.”

“Ik wist het niet.”, zeg ik droog.

“Drink er één met ons.”

“Wat een vrolijke bende. Voor een begrafenis.”

“Een crematie. Veel beter. Dat zet de ziel veel sneller vrij.”

Ze bieden mij sterk spul aan.

“Bent u eigenlijk familie van de overledene?”, vraag ik bijna geïnteresseerd.

“Eigenlijk verkiezen we het woord reiziger. Nee, ik ben geen familie. Ik was een kennis van zijn vrouw. We vormen een soort creatief duo.”

“Wat maakt u dan zoal?”

“We schrijven kinderboekjes. Als je de wereld wilt veranderen, moet je beginnen bij het zaad van morgen.”

“Klinkt leuk. Hoe gaat zijn vrouw er mee om?”

“Vraag het haar zelf. Zie je die mooie, blonde fee? Daar bij die holle boom. Met haar kleinkinderen.”

De vlotte praatster troont mij mee. Ik vraag mij af of dit geen sekte is. Ze stelt mij voor aan de echtgenote. Ze heet Esther. Is dit de leidster? Ter ere van wie ze mij straks ritueel zullen slachten? Of is het gewoon een vrouw met een heerlijk warm aura?

“Bent u niet verdrietig?” Ze lijkt mij nogal opgewekt.

“Tuurlijk wel. Hij was mijn maatje. Wij vertelden elkaar alles. Ik zal hem missen.”

“U ziet er eigenlijk eerder opgelucht uit.”

“Opgelucht, is wat te sterk uitgedrukt. Maar er valt wel ergens een last van me af. Ik heb gedaan wat hij wilde. Nu is het aan hem.”

“Jullie hebben het over de reiziger, als ik mij niet vergis.”

“Dat klopt. Als je deze wereld binnentreedt, kom je ergens vandaan. Als je hem verlaat, ga je ook ergens heen.”

De kleinkinderen vinden het welletjes. Ze hebben genoeg aandacht afgestaan. Met zes tegelijk vallen ze om haar hals.

Mijn begeleidster troont mij verder, net of ik een onzichtbare halsband om mijn nek heb.

“Hoe heet jij eigenlijk?”, wil ik weten.

“Namen zijn slechts concepten. Concepten belemmeren de perceptie. Waarom moet je als je iets groens ziet meteen denken: hé, kijk, groen? Nergens voor nodig. Concepten verhinderen dat je doordringt tot de essentie van dingen.”

Mijn zweverige begeleidster brengt mij tot bij een Aziatische vrouw. Een serene schoonheid. Daarna verlaat ze mij.

“Hallo.”

“Dag.”

“Hoe heet jij?”

“Thai.”

“Euh, nee dat bedoel ik niet. Hoe héét jij?”

“Thai.”

“Zo komen we er niet uit. Laat ons zo proberen: ik Napoleon, jij…?

Ik heet niet werkelijk Napoleon, maar als mensen mijn naam zeggen, hoor ik in mijn hoofd Napoleon, of empereur of Bonaparte of Caesar of ook gewoon nietsnut, afhankelijk van mijn zelfvertrouwen van de dag. Pas als mijn pa mij roept, herinner ik mij mijn echte naam. Gelukkig roept mijn pa mij niet zo gauw.

“Thai.”, herhaalt de parel van het oosten.

Ok, Thai is een naam. Dat wisten we dan ook weer.

“Kent u die vrouw die net bij me was?”

“Zij is licht.”

“En haar naam?”

“Geen naam. Zij is licht.”

Dus toch een sekte.

“Waarom ben jij hier?”

“Dat vraag ik mij ook af. Omdat Licht mij uitgenodigd heeft.”

“Licht is geen naam. Ik vraag waarom je híer bent.”

“O zo, hier, op de wereld. Euh, omdat ik een missie heb? Omdat ik tot een bepaalde wijsheid moet komen?”

“Wat breng je mee? Wees heel eerlijk.”

De vrouw leek de levend geworden kalmte. Ze keek mij indringend aan.

Ik zei: “De ervaring van honderd levens.Ik ben een smeltkroes van tijdperken en culturen.”

Ik geloof mijn eigen oren niet als ik zulke onzin uitkraam.

“Wat voor dingen heb je gedaan?”

“Slechte dingen. Heel slechte dingen.Maar niet altijd.”

“Hoe kom je tot je zelf?”

“Door lichamelijke intimiteit met vrouwen. Verregaande intimiteit.”

“Wanneer spreekt je hart?”

“Als ik een mooie vrouw genot schenk.Als mijn ziel de hare ontmoet.”

“Zet je ziel open. Stel je open voor wat je nodig hebt.”

Ik kijk haar aan. Ik weet niet meer wat ik zeggen moet.

“Ga nu maar.”

Te voet stap ik naar huis. De rest van de dag zit ik thuis in de zetel. Ik kan geen pap meer zeggen. Compleet van mijn melk ben ik. Dit is niet hoe ik mijn dag gepland heb.

Ze zeggen dat begrafenissen het beste in de mens naar boven brengen.

Ik hoop het maar.

Blind

Ik leerde veel van mijn klassieke fout. Ik bleef daar beter buiten. Toch stond ik er midden in. Links van mij 45 kilo furieuze leeuwin, rechts van mij 50 kilo briesende tijgerin. Dat verschil in gewicht, hield ik maar voor mezelf. Ik wilde geen olie op het vuur gooien en zweerde bij mezelf dat ik het als leerkracht voortaan bij droog les geven hield. Voor ik eindelijk een muur optrok tussen de leerlingen en mij, toch nog even vermijden dat deze twee meisjes elkaar de hersens insloegen.

Als hun klauwen terug uitschoten, duwde ik ze elk met één arm achteruit. Moest ik ook bij oppassen, want zo had ik bij één van hen al de borsten geraakt. Ook dat nog. Ik had ze kunnen meesleuren tot het kantoor van de leerlingenbegeleidster, maar dat waren vijf gangen. Het had net gebeld. Die gangen waren op dat moment zo toegankelijk als het darmkanaal van een vette Amerikaan vlak na een hotdogwedstrijd. Propvol leerlingen op zoek naar een lokaal.

En wanneer heeft de leerlingenbegeleidster ooit een probleem opgelost? De leerlingenbegeleidster is zelf een probleem. Een drankprobleem. Als ze niet drinkt, weent ze. 45 is ze. Geen kinderen. Geen vent. Bij mijn weten ook geen vrienden.Wel kilo’s te veel en een ruim kantoor met bergplaats. In die bergplaats de flessen wijn die overschieten na opendeurdagen en recepties.

Nee, ik moest het zelf oplossen. Deze twee meisjes waren tot twee weken geleden onafscheidelijk geweest. Zaten altijd naast elkaar, gingen altijd gezamenlijk de klas uit, je zag de ene nooit zonder de andere. Knuffelen deden ze alsof hun leven ervan afhing en als je even niet keek, gaven ze elkaar een vriendschappelijke kus op de mond. Op zo’n moment kon ik de jongens inwendig horen kreunen.Als ze elkaar nu aanraakten, was het om het gezicht van de ander zoveel mogelijk schade aan te brengen, zonder zelf te veel schade op te lopen aan nagels en kneukels. Je bent jong en je hebt prioriteiten.

Ik had ze allebei op facebook. Als ik eerst maandenlang virtuele hartjes over en weer had zien vliegen -jonge meisjesvriendschap heeft toch altijd iets erotisch- en wederzijdse aanbiddende knievallen met uiterst bloemig taalgebruik telkens de ander getagged was in een geposeerde foto, zag ik sinds kort geen virtueel contact meer.

Sinds gisteren stonden ze ook niet meer opgelijst als mutual friends. Ze hadden elkaar ontvriend. De hedendaagse slag met de handschoen. Meer dan genoeg aanleiding voor dit duel met geslepen kunstnagels als wapens. Als ik zag hoe ze berekend mikten op elkaars geverfde oogleden, wist ik dat het om een jongen ging.

Ik tilde hen op. Eerst de ene dan de andere en plofte hen op een op een stoel, elk in één hoek van de klas. Ik hoopte maar dat ik ze met dat optillen niet te veel blauwe plekken had bezorgd. Als leerkracht zou je liefst -als het enigszins praktisch was- een stalen kooi om je heen hebben, zodat niemand je kan betichten van handtastelijkheden.

Het verzoek dat het startschot had gegeven voor deze veldslag, herhaalde ik nu: ‘Vertel nu eens rustig wat er fout loopt tussen jullie.’

Lippen stijf op elkaar. De ene had haar ogen gericht op de vloer, de andere op het plafond. Wat dat zei over de psychologische verhoudingen tussen de twee, stond nergens in een cursus pedagogie. Ik gokte dat zij die naar boven keek, er bij de jongen in kwestie het beste voor stond.

Het moest een jongen zijn. Het kon alleen een jongen zijn en ik wist dat ik verloren was. Zoiets los je niet op. Verliefd zijn op de zelfde persoon, dat overleeft een vriendschap alleen in een romantische blockbuster.

Ik kon ze beter naar de speelplaats sturen. Met vijf minuten tussentijd. De fragielere van de twee, die met de ogen op de grond gericht, eerst laten vertrekken. Maar nee, ik moeide mij liever.

‘Hoe heet hij?’

Ze keken mij met grote ogen aan. Hoe had ik dat zo geraden?

‘Kom aan’, zei ik, ‘hoe heet hij?’

Geen idee waarom, maar na vijf jaar ervaring met personeelsvergaderingen en de organisatie van eetfestijnen op school, geloof ik nog altijd dat je elk conflict kunt oplossen, als je er maar lang genoeg over praat. En als je het niet kunt oplossen, kun je het na lang praten op zijn minst laten rusten.

‘Manuel’, zei één van de twee. Welke weet ik niet meer. Het antwoord verraste mij te zeer.
Manuel was een knappe jongen, dat kon iedereen zien, behalve hij zelf dan. Manuel was blind.

Ik stelde mij voor hoe die jongen zijn keuze maakte, als hij moest kiezen tussen deze twee. Waar ging hij op af? Intensiteit van de parfumwolk? De passie in hun aanrakingen? Kustechniek? Klank van stem? Of misschien ging hij voor de vrolijkste? Of die met de meeste inhoud? Al die schmink smeerden ze dus niet voor hun vriendje. Interessant. Dat was de eerste keer dat ik geloofde dat vrouwen zichzelf mooi maken voor zichzelf.

De ene kraste tussen haar tanden: ‘Jij verpampert hem’.

De andere snuifde: ‘Wat jij ook doet, je zal hem nooit kunnen leren wat zien is. Je wapent hem niet, je maakt hem alleen maar neerslachtig zo’

Ik probeerde zwakjes met een citaat dat ik ooit ergens had opgepikt: ‘Ware vriendschap toon je niet zozeer als je elkaar troost bij slecht nieuws, maar als je oprecht blij kunt zijn om het geluk van de ander’.

Geen reactie, wel hard geklop op de deur. Ik was opgelucht.Voor mij stond Manuel. Ik stelde mijn hoop op hem. Als hij klaar en duidelijk zijn keuze kon uitspreken, dan kon de ene zich genadig tonen in haar overwinning, en de andere kon haar gebroken hart beginnen lijmen.

‘Ik apprecieer de moeite die jullie doen’, begon hij. Van een understatement gesproken. Twee niet onknappe -als ik helemaal eerlijk mag zijn- jongedames die elkaar aanvliegen om bij jou te mogen zijn. Godverdomme, welke jongen zou zoiets niet kunnen appreciëren? God ja, hij was natuurlijk wel echt blind.

‘Maar dit is mijn beperking’, ging hij verder. Inderdaad, monogamie, was een beperking, dat had ik altijd al vermoed. Dat kon zelfs een blinde zien. ‘Hanne, jij moet echt al die moeite niet doen, om mij te proberen uitleggen hoe alles er uitziet. Ik heb mijn beperking aanvaard, nu jij nog. Als je zo door gaat, ga ik mijn blindheid gaan haten. En Misjka, je bent ook altijd erg lief, maar je moet niet alles in mijn plaats doen. Je bent mijn persoonlijk assistente niet en je maakt mij erg afhankelijk. ’t is ook mijn fout, ik had jullie vroeger moeten stoppen. Maar ik vond het te plezierig, dat geef ik toe.’

Met twee vrouwen tegelijk een relatie onderhouden, wie zou dat niet plezierig vinden? Buiten de vrouwen dan. Die vonden het duidelijk absoluut niet plezierig. Maar ging hij het nu met allebei uitmaken? God, ja, tactisch nog niet eens zo slecht. Een vent die de luxe heeft om in één slag achter twee relaties een punt te zetten. De vrouwen staan gegarandeerd in de rij om de jongen te leren kennen die zoiets lapt. Het was ook de enige redding voor hun vriendschap. Een gelijkspel waar ze beiden vrede mee konden hebben.

‘Het enige wat ik weiger op te geven, is dat jullie mij duwen op de schommel’

Op je 16 ben je te oud voor de schommel, maar goed, voor een blinde Cassanova wilde ik wel een oogje dicht knijpen.

Ze gingen met z’n drieën arm in arm de deur uit. Ik kon het niet laten en vroeg: ‘Zijn jullie terug samen? Met z’n drie?’

Ze proestten het uit. Ze hadden inderdaad alle drie een relatie, maar niet met elkaar. De meisjes hadden geen amoureus conflict, maar een conflict over hoe ze het beste konden omgaan met een blinde maat. Ze huppelden vrolijk weg. Aardig om te zien, jonge tieners die geen haast schijnen te hebben om volwassen te worden.

Dat ik er automatisch vanuit ging dat het om banale jaloezie ging, daar moest ik even bij gaan zitten. Dat die twee meisjes zoveel empathie konden voelen voor iemand dat ze er ruzie over kregen. Nee, dat had ik niet gezien. Daarvoor was de lak op hun nagels te veel een rookgordijn. Sindsdien heb ik een andere aanpak als leerlingen een conflict hebben. Als ik ze meteen begin uit te vragen, projecteer ik er toch alleen mijn simpele verwachtingshorizon op. Dus nu zet ik ze elk apart in een klas, over de middag, en laat ze opschrijven ‘wat er hen dwars zit’ in ‘vijftig zinnen’. Die specifieke vijftig is belangrijk, dan weet ik zeker dat er effectief iets op papier komt.

Telkens ik die openhartige opstellen lees, besef ik dat ik blinder ben dan die Manuel. Ingemetseld in mijn eigen vooroordelen. Ik houd ze bij in een map. Als ik weer te veel moeite heb om een boek niet te beoordelen aan de kaft, dan blader ik door die verslagen van conflicten. En dan voel ik mij plots heel nederig.

Breek de cirkel

1980. Mijn grootvader jaagt twee kogels door zijn hart. Hij heeft het familiefortuin verkwist. Vrouw en kinderen staan op straat.

1983 Ik kom ter wereld. Mijn vader in een brief aan een vriend: ‘Het alles in de schaduw stellende nieuws is toch wel de komst van de kleine, zondagnamiddag 16 uur. Het joch weegt om en bij de 4 kg, lijkt in tegenstelling tot eerder gedane veronderstellingen of afgesloten pronostieken niet op de melkman en vroeg direct naar mit met frosselen. Het spreken kan nog beter, maar hij heeft alleszins een gezonde eetlust. Ik heb de koevoet die we voor alle zekerheid naar de kraamafdeling hadden meegenomen, niet uit de autokoffer hoeven op te diepen. De weeën waren bijzonder hevig en hoewel ik vlak naast zijn moeder stond, voelde ik er niks van.’

2006 Mijn vader slaagt er in om zichzelf te verstikken in een plastic zak. De dag nadat ik goed betaald werk vind als ambtenaar bij buitenlandse zaken. De opwaartse sociale mobiliteit is een feit. Hij heeft de laatste 23 jaar in een fabriek gezwoegd om dat mogelijk te maken.

2020 Ik heb zelf een ‘kleine’. Ik wil voor mijn zoon een nog beter diploma en een vader die een natuurlijk dood sterft. Het eerste is geen probleem. De kleine heeft het verstand van zijn moeder. Het tweede deel is de uitdaging. Als ik een straat oversteek, hoop ik stiekem dat een razende tram mij naar de eeuwige jachtvelden transporteert. Enkele rit.

2038 De kleine heeft hartzeer. Zijn eerste meisje heeft het midden in de blokperiode uitgemaakt. Hij zit hele dagen op zolder en speelt ‘the end’ van The Doors grijs. Ik ben doodsbang dat hij mij voorgaat. Ik stop zijn broeksriemen weg. Gooi alle scheermesjes weg. Bewaak angstvallig de keukenmessen. Buiten, onder het raam van de zolderkamer, leg ik een oude matras. Ons medicijnkastje verzegel ik met een hangslot. Mijn vrouw denkt dat ik mezelf wil beschermen en bekent na drie weken dat ze anti-depressiva door mijn eten mengt. Ze heeft geen enkel effect opgemerkt, behalve dat ik plots mijn baard laat staan. Ik vraag waar ze die pillen bewaart en mix ze voor de zekerheid in de smoothies van mijn zoon. Net zolang tot hij weer een nieuw meisje heeft.

2041 Als ik een hoge brug zie, voel ik mij als een uitgehongerde Ethiopiër die de dessertkaart van een restaurant inkijkt. Nog even volhouden. Mijn kleine heeft bijna zelf een kleine.

2055 Mijn jaarlijkse consultatie. De dokter stelt prostaatkanker vast. Ik weiger keihard alle behandeling. Thuis vraagt mijn vrouw waarom ik de hele tijd zo dom zit te lachen.

2057 Geen behandeling blijkt de beste behandeling voor prostaatkanker. Alles blijft stabiel en eigenlijk ben ik kerngezond.

2061 Vanochtend stond ik op met stekende pijn in mijn linkerarm. Nog één vraag wil ik stellen. ‘Zoon, geniet jij van je leven?’ Wat een gekke vraag, natuurlijk geniet hij van zijn leven! Hij vraagt of alles wel ok is. Vandaag is echt alles ok. Na het telefoongesprek, ga ik in het tuinhuis zitten. Ik doe de deur achter me dicht en ik val al. De geur van de houten vloer herinnert me aan de chalet die we vroeger hadden aan zee. Toen ik zes was en mijn vader groter dan God leek. Hoe we samen zandkastelen bouwden en hij gelukkiger leek dan ikzelf. Misschien was ik toch niet helemaal dat blok aan zijn been dat hem tegen zijn zin in leven hield. Intens gelukkig, kus ik, alsof het het zijn wang is, de stoffige vloer. De cirkel breekt gelijktijdig met mijn hart.
Hij zit in elk van ons. Steven Pressfield beschrijft hem heel precies. Pressfield noemt hem ‘resistance’, ‘verzet’. Hij zit ook in u. De mijne heet AntiWilko. Zie foto. Hij ziet er bedriegelijk onnozel uit. En hij staat mij dagelijks naar het leven. Geen zever. Dit is de enige vijand die ik heb. Dan wel direct een gruwelijke. Hij kent geen regels, hij zou niks laten om zijn goesting te krijgen. En zijn goesting is mijn hel.
Zijn goesting is ervoor zorgen dat ik mijn goesting niet krijg, niks onderneem om mijn goesting te krijgen. U kent hem, hij zit ook in u. Een variant ervan. Het is die stem die u ’s ochtends van uw plan af helpt om te gaan joggen. Die stem die u overtuigt om toch nog die zak chips open te trekken en uw dieet uit te stellen tot morgen. Die stem die u zegt: stop pas met roken als uw laatste pakje leeg is. De demon is full of bullshit en vindt vanalles uit om u af te leiden en u te saboteren. Het is de stem die u verleidt om als jongeman acht uur per dag een dwaze shooter te zitten spelen. Die stem is zo geslepen dat de demon u zal overtuigen dat er allerlei heilzame dingen verbonden zijn aan acht uur lang een schietspel op een pc te spelen met ‘vrienden’ uit Zuid-Korea.
Het is die stem die bij Facebook hoort en u daar gegijzeld houdt, waar u status updates overloopt, die u niets bijbrengen, waar u in de bekende blauwe Facebook-cirkels blijft lopen. Waar u het zoveelste miljoenste in elkaar geflanste fotoshopprentje bekijkt dat u vertelt dat u uw leven zelf in handen heeft en dat u gewoon uw ding moet doen in het leven. De demon kickt op dat soort prentjes. De demon kickt op boodschappen die u vertellen dat u uw zin moet doen en echt iets moet en kunt maken van uw leven. Het verzacht uw angst. Het prentje delen op uw muur, verzacht de pijn, geeft u een vals gevoel van daadkracht. Ondertussen zit u nog altijd op Facebook en doet u niks. De demon lacht.
Het is aan de demon dat u overtollig buikvet te danken heeft, een magere bankrekening, een relatie die in ’t slop zit, een diploma dat u niet gehaald heeft, een job die u niet graag doet en blijft doen uit een vals gevoel van verantwoordelijkheidszin of ‘realiteit’. De demon masturbeert op een papiertje waar hij het woord ‘realistisch’ geschreven heeft. Dat vals woord dat u ontslaat van actie en initiatief. Uw gebroken dromen eet hij voor lunch.
De mijne heet dus AntiWilko. Hij staat voor alles wat ik niet wil in ’t leven. Hij lacht mij uit met zijn bolle ogen. Er van weg lopen, maakt hem sterker, dus neem ik hem overal mee. Het is AntiWilko die tussen mijn voeten zit, als ik buikspieroefeningen doen. Het is AntiWilko die op de grond ligt en die ik bij elke push-up met mijn neus raak. Oorlog geeft zin aan ons leven. Het stelt de dingen scherp. Een tweedeling tussen wat aangevallen moet worden en wat verdedigd moet worden. Het is een oorlog op leven en dood. Er sterven dagelijks mensen aan hun eigen AntiWilko. Soms leven ze fysiek nog wel een jaar of twintig, maar mentaal heeft hun AntiWilko hen uitgerot.
Als elke dag een veldslag is tegen AntiWilko, dan wint AntiWilko negen van de tien veldslagen. Waarschijnlijk meer, want AntiWilko heeft doodgraag dat ik hem onderschat. Mijn magere overwinningen op AntiWilko dit weekend zijn één uitgelezen boek, een paar pagina’s extra aan mijn briefroman ‘brieven aan mijn vader’ en een hele sliert Duitse en Franse documentaires die speelden op de achtergrond terwijl ik niets deed en een strategisch bordspel speelde tegen de enige persoon die al eens wint van mij bij bordspellen. Ik ben zo goed in bordspellen, omdat AntiWilko zo vaak gewonnen heeft van mij. In het enige bordspel dat er toe doet: dat in mijn hoofd. Doel van het spel: voor mij: voldoening halen, voor AntiWilko: dat ten allen prijze vermijden. Regels: geen. AntiWilko wint op vele manieren: als je bijvoorbeeld iemand ziet die verder staat dan jou en je denkt: dju, dat had ik kunnen zijn. Jij wint als je tranen in je ogen krijgt, omdat je een overwinning gehaald hebt op de gemeenste kracht die je ooit tegen kunt komen: jezelf. Als je het moeilijkste van het moeilijkste doet: dat waar je het meeste angst voor hebt: stappen in de richting van je droom. Hoe belangrijker de droom voor je is, hoe harder de demon vecht, hoe meer geheime wapens hij uit zijn arsenaal trekt.
U kent hem ook. Daarom werkt u vandaag compleet tegen uw zin als ambtenaar bij pensioenen, terwijl u veel liever kinderverzorgster zou zijn. Daarom geeft u vandaag Nederlands aan anderstaligen, terwijl u veel liever therapie met piano-improvisatie zou geven, daarom staat u vandaag aan de lopende band bij Tupperware, terwijl u veel liever in de modewereld zou werken, daarom schept u vandaag 2000 kilo cacao bij Callebaut, terwijl u veel liever in een punkband zou spelen of een winkel zou openhouden met punkplaten, daarom werkt u vandaag als isolator terwijl u veel liever een restaurant met Armeense specialiteiten zou openhouden. De meeste mensen die ik ken, hebben een razgrom geleden tegen hun AntiWilko. Razgrom, een Russisch woord waarvoor we niet echt een mooi equivalent hebben. Het betekent zoiets als een complete nederlaag.
Die maat van mij, die mij soms een razgrom bezorgt op het veld van karton, die verslaat zijn AntiWilko zowat elke weekdag. Hij pendelt vanuit Menen naar Leuven om een master biochemie te halen. Op andere vlakken verliest hij wel van zijn demon. Hij geeft zijn wens om een lief te hebben elke dag een half potje slaappillen. De demon vecht op alle fronten. En wie beweert de demon staande te houden op alle fronten, bluft. Maar bluffen mag, want in de oorlog tegen de demon, zijn geen regels. Behalve: er wordt gevochten tot de dood, je kan niet winnen zonder strategie, er geen mogelijkheid tot een wapenstilstand, er is nooit een gevechtspauze, de demon past zich altijd aan en vindt altijd iets anders uit, de demon zoekt bondgenoten in je omgeving en schakelt ook je vrienden en familie in, de demon valt niet te overtuigen, luistert niet naar argumenten, de demon is als een pestkop op school, het enige waar hij van ineen krimpt, is een brute tegenaanval. Discipline en vastbeslotenheid zijn het watervat, waarin de demon om zijn moeder krijst. Ik ga de mijne pesten met 50 kussen. 50 kussen voor 50 push-ups.

Broer tegen broer

 

Sommige dingen zijn gewoon handig om te hebben. Ik had er lang voor gespaard. Een eigen negerin. Lucille heette ze. Een tikje oud. Al zeventien. Maar ze was zo mooi, ik moest haar hebben. Sluik haar, niet van dat kort kroeshaar. Een hint van blank bloed in haar aders. Genoeg om haar neus te versmallen. Het belangrijkste was dat ze een stevig stel heupen had en een perfect gezond gebit. Geen sporen van pokken in haar gezicht.

Ze smeekte mij om haar kleine broertje ook te kopen, maar ik was platzak. Ze was duur. Opgeleid om madame gezelschap te houden. Creolen in Louisiana sprongen een beetje anders om met hun negervolk. Ze sprak Frans en Engels en kon naar ’t schijnt piano spelen. Geen idee of ’t echt zo was. Nooit getest. Geef mij maar banjo. Borduren kon ze ook en nog meer van die nutteloze onzin. Maar ze had poten aan haar lijf, dus ze kon vast ook wel werken. Niet dat ik haar in de eerste plaats daarvoor kocht. Haar madame had eens moeten weten waarvoor dan wel. Maar ja, monsieur van Madame was de pijp uit. De zoon nam de plantage over. Die had in het buitenland gestudeerd, Zwitserland of een andere Europese molshoop, en had iets tegen slavernij. Hij investeerde liever geld in machines dan in ‘kwetsbare goederen’. Madame zat sindsdien aan de laudanum, zei de slavenhandelaar. ‘Da’s beter dan een perfect gezonde negerin verpesten door haar van die kunstjes te leren.’ Als ze graag kunstjes aanleerde, moest madame zich maar een aapje kopen of een schoothond. Mijn ouders hadden thuis meestal 30 negers. Waarvan we er zeker 20 actief nodig hadden. Als we er 35 hadden, verkocht mijn pa er enkele. Altijd een heel gedoe, zelfs al letten we er op om niet te veel familiebanden te verbreken. We hadden niet genoeg land om zoveel volk aan het werk te houden, dus het moest wel. We verkochten ze zelf door aan de nieuwe eigenaars. De vleeskeuring van de openbare verkoop, wilden we ze besparen. Niet alleen voor hun trots, maar ook voor die van ons. Je slaven open en bloot op de markt gooien, dat rook naar financiële moeilijkheden. Nu, die hadden we niet. Pa kon het zich veroorloven om zowel mijn broer als mij van zodra we 16 waren maar liefst 5 procent van de opbrengst te geven. Ma en pa hadden allebei schots bloed. Misschien sprongen ze daarom zo verstandig om met geld. Onze negers wisten dat we ze goed behandelden, dus ze werkten. Niet zo snel als ze konden, maar snel genoeg om pa niet kwaad te maken. Hij raakte slaven nooit met een hand aan -tenzij soms een aai over de bol van de jongsten-, maar lijntrekkers zond hij naar het geselhuis met een papiertje waarop stond hoeveel slagen ze moesten krijgen. De ligging van onze plantage hadden we ook mee. Langs de oevers van de Mississippi waren de oogsten goed. Katoen was koning. Dus op mijn 19 kon ik al mijn eigen slavin kopen. Niet om kunstjes te leren. Om mee te kweken.

Zo ging Lucille dus van één eigenaar die absoluut niet geloofde in de winstgevendheid van slaven, naar één die er heel zeker van was dat er geld uit te slaan was. Morele bezwaren had ik niet. Slavernij is natuurlijk verkeerd, maar als het bestaat, is de afschaffing ervan de snelste manier om een hele maatschappij in chaos te storten. Ik verklaarde slavernij niet op basis van enige inferioriteit van het zwarte ras. De negers zaten wel achter in hun ontwikkeling, maar dat was vooral omdat wij zo ons best deden om dat zo te houden. Lezen en schrijven mochten ze niet. Wie een slaaf analfabetiseerde, kon rekenen op zware straffen. Wat ik wel vond was: die zwarten hadden het over het algemeen goed. Ik zag meer lachende zwarten dan lachende blanken. Als je als slaaf geboren bent en weet dat je als slaaf zult sterven, welke zorgen kan je dan hebben. Ik had wel zorgen. Ik wilde het beter doen dan mijn oudere broer. Hij zou later de plantage erven. Mijn vader stond er op om zijn land in één stuk te houden. Voor mij wachtte normaal een militaire opleiding. De militaire academie, West Point, in het noorden, waar veel zuidelijke jongens heen gingen. Maar mijn ogen waren te slecht. Ik droeg een bril sinds ik 16 was. Tot dan reed ik altijd op een heel rustige pony, omdat die dan wel in mijn plaats keek. Zo slecht was mijn zicht. Dat van mijn broer ook, maar die hoefde zich verder geen zorgen te maken over de toekomst. Bovenop al de voordelen die hij dankzij zijn leeftijd genoot, kwam nog het ergste. Hij kon geweldig dansen en hij had succes bij vrouwen. Ik niet. Als een vrouw in het dorp mij aansprak, was het alleen om te vragen hoe het met mijn broer ging. Dat stak. Ik kon het niet eens wijten aan de dikke glazen van mijn bril die mijn gezicht ontsierden. Mijn broer droeg al een dikke bril sinds hij 12 was. Ik was stiekem zo nijdig op hem, dat ik me vaak afvraag of het tussen ons ook zo was fout gelopen  als ik Lucille niet had gekocht.

2.

Toen ons land uiteenviel in de noordelijke en de zuidelijke staten, wilden onze ouders niks te maken hebben met die onzin. Volgens hen bestond oorlog alleen, omdat er daar enkele rijke vetzakken nog rijker door werden. Wie er won, kon hen niet schelen. De bovenklasse melkt de middenklasse en de armen zijn er om de middenklasse voor te houden dat het altijd nog slechter kan. ‘Ja, maar’, zei mijn broer, ‘als zij winnen pakken ze onze negers af.’

Pa las weinig, maar wat hij las, las hij goed en hij zei: ‘De nieuwe regering in het noorden heeft nooit gezegd dat ze onze slaven gingen afnemen. Het enige wat ze niet willen is dat er in de nieuwe gebieden in het westen slavernij komt.’

‘Ja’, zei mijn broer, ‘maar als de slavernij niet kan uitbreiden, dan krijgen we op de lange duur te veel slaven op een te klein gebied. Dat zou rampzalige economische gevolgen hebben voor ons.’

Pa zei: ‘En wat dan nog? Dan verkopen we onze negers en huren werkvolk.’

‘Dan is onze plantage nooit nog winstgevend,’ zei mijn broer.

‘Beter iets minder winstgevend, dan mijn kop te laten afblazen of twee zonen te verliezen om negers te kunnen houden. Trouwens, ik heb al één regering de rug toegekeerd en deze heeft mij nog nooit lastig gevallen, dus ik ga niet nog eens rebelleren. Als het Noorden de slavernij afschaft, ben ik zeker dat ze ons enige vorm van compensatie geven.´

Hij bedoelde natuurlijk de Engelse regering toen hij emigreerde uit Schotland. Ik snapte zijn redenering. Mijn broer snapte die ook. Er was weinig tegen in te brengen, maar het was niet genoeg om geen dienst te nemen in het leger van het Zuiden. Al onze mannelijke kennissen namen dienst. Meisjes vroegen nog maar één ding: ‘in welk regiment dien jij?’ of ‘waarom ben je niet in uniform?’

Ik tekende eerst en kreeg in het dorp twee dagen lang meer aandacht dan mijn broer. Tot bleek dat hij bij de staf mocht dienen van kolonel Sears. Sears was één van de rijkste plantagehouders in de buurt. Hij had een eigen regiment opgericht en alle wapens en uitrustig betaald. Wapens en uniformen voor meer dan 400 man. Mijn broer had hij al lang een postje beloofd als luitenant in zijn staf.  Zijn dochter had een oogje op mijn broer. Toen mijn broer in een piekfijn unform mét officierszwaard te paard onze oprit opkwam, rende moeder hem tegemoet. Ik had haar nog nooit zo enthousiast gezien. Dat terwijl ik ondertussen al te boek stond als de slechtste schutter in mijn regiment. Ik diende gelukkig niet als gewoon soldaat  in hetzelfde regiment als waar mijn broer grote sier kon maken als stafofficier. De vernedering ware ondraaglijk geweest.

3.

Schieten ging beter, toen duidelijk werd dat als ik maar laag genoeg mikte op een verre stip, ik toch wel doel trof. Precies was mijn schot niet, maar ik kon goed genoeg schieten om een menselijk lichaam ergens te raken op 200 meter afstand. Gelukkig maar, want de kapitein van mijn compagnie had al plannen om mij nog eens te kleineren door een hospik van mij te maken. Ik raakte aanvaard bij het regiment. Na  onze eerste vuurdoop groeide het respect van mijn medesoldaten voor mij. Vechten deed mij niks. Bloed deed mij niks. Toen we een artilleriepositie bestormden en innamen, maar door te grote druk, niet konden houden, bleef ik tot de laatste om een kanon om te draaien en ermee op de eigenaars te schieten, voor ik mee terugtrok. Dat was mooi, maar ik had pech. Er was geen enkele officier die mij gezien had, want die waren allemaal dood of gewond. In de zelfde veldslag raakte mijn broer gepromoveerd tot kapitein. Hij was per ongeluk ingereden op vijandelijke troepen. De duisternis viel al en hij had zich zo autoritair gedragen dat de mannen dachten dat hij een officier van hen was. Hij had hun vervolgens vlak naast een regiment van ons laten marcheren. De helft kon het niet navertellen. Als ik nu mijn naam zei tegen een onbekende, kreeg ik weer die vervloekte reactie: ‘hey, ben jij niet de broer van die kerel die…?’

Toen ik tijdens de winter voor verlof thuis was, wilde ik het liefst van al meteen terug naar de frontlinie. Mijn broer was toen al majoor. Bovenop de promotie voor zijn huzarenstukje kreeg hij nog een promotie voor zijn excellent stafwerk. Toen ik thuiskwam, was het eerste dat ik hem zei: ‘Ah, je bent ook nog heelhuids. Ik was al bang dat je bij de staf te hete koffie zou drinken en je lip zou verbranden.’ Hij werd niet boos. Mijn opmerking sloeg nergens op. We wisten allebei dat stafofficieren wel degelijk gevaar liepen. In de zelfde slag was onze bevelvoerende generaal geraakt in zijn dij en was doodgebloed. Toch wilde ik hem kwaad krijgen. Ik zei: ‘Die luide knallen die jullie soms in de staftent horen, dat zijn granaten, niet de donder, dus je moet zeker niet onder tafel kruipen.’ Als kind kroop hij bij onweer onder tafel. De enige zwakte waarmee ik hem als kind kon uitlachen. Hij werd nog steeds niet boos. Hij stond gewoon op en wandelde naar me toe om mij vriendschappelijk op de schouder te slaan. Pas toen zag ik dat hij mankte. Moeder keek boos naar mij. ‘Het werk van een stafofficier is niet zonder gevaar’, zei ze. Mijn broer had toen hij een bericht van zijn kolonel -ondertussen generaal- overbracht naar één van zijn compagniecommandanten een kogel in zijn been gekregen. De kogel was recht door zijn been gegaan, wat hem gered had van een amputatie. Zijn paard was wel dood. Pa zag mij en zei: ‘Jij bent tenminste voorzichtig geweest.’ Of hij het zo bedoelde, weet ik niet, maar toen klonk het als: ‘een laffaard als jij raakt natuurlijk niet gewond.’

’s Avonds zette ik me met een fles whiskey op het dak van ons ciderhuis. In de winter maakten we geen cider, dus daar was het rustig. Het was een heldere nacht en ik had een goed uitzicht over het slavenkwartier. Het was toen dat ik eindelijk iets zag om mijn broer een hak te zetten. Had ik geweten hoe zwaar hij en onze ouders er zouden aan tillen, had ik het misschien niet gedaan.

4.

Sinds ik haar gekocht had, sloop hij ’s nachts naar haar toe. Daarom sliep hij ook thuis. Zijn regiment bewaakte de rivier en was dichtbij gelegerd. Dichtbij, maar niet zo dichtbij dat je elke dag om en weer kon rijden met je paard zonder bekaf te zijn. Toch deed hij het. Nu snapte ik waarom. Mijn broer was voor de charmes van Lucille gevallen. Op zich geen schok, ze was bijna te mooi om te weerstaan. Zelf viel ik uitsluitend op kleine, blonde vrouwen, liefst met vlechten. Maar mijn broer had wel vaker iets uitgevreten met één van onze negermeisjes. Gelukkig was hij niet zo dom of onhandig om er één te bezwangeren. De eerste nacht, dacht ik haar gewoon te laten geselen. Daarna besloot ik haar voor één of ander vergrijp te laten brandmerken. In haar gezicht. Een zeer zware straf, die ik niet kon opleggen als het vergrijp niet erg genoeg was. Dat verreiste enige planning, maar ik kon er wel wat op vinden. Een grote diefstal in haar schoenen schuiven. En dan kssssh, de D van dief op haar wang. Eens zien of hij haar dan nog zo graag ’s nachts bezocht. Voor mijn kweek zou het geen verschil maken. Maar toen ik informeerde bij de slaven, merkte ik dat het dieper zat. Mijn broer, de grote verdediger van de slavernij, was verliefd op een slavenmeid. Hij gaf haar cadeautjes, hij gaf onze opzichter pakken koffie van het leger op voorwaarde dat hij haar bij het werk zou ontzien. Ze kreeg speciale zeep en parfum. En volgens het meisje waarmee ze een hut deelde, zelfs dure jurken, die ze natuurlijk alleen binnenskamers droeg als hij langskwam. Haar kamergenote gaf hij zwijggeld. Maar ik gaf het dubbele aan spreekgeld. Ik kon niet stoppen met giechelen toen ik besloot wat ik allemaal zou doen. Allereerst verkocht ik haar.

5.

Ik verkocht haar ‘landinwaarts’, dat wil zeggen: weg van de rivier, naar het hart van de katoenkweek. Daar waren de omstandigheden voor zwarten het slechtst. Ik ving een heel goeie prijs. In financieel opzicht was het ook een slimme move. Hoewel onze officieren belachelijk optimistisch bleven, zag ik het fout gaan. We verloren veel terrein en ondanks enkele spectaculaire overwinningen heroverden we nooit wat. Het zuiden was aan het wankelen en met de val van het zuiden stond slavernij ten dode opgeschreven. Gelukkig zagen veel mensen dat nog niet in of ik had nooit nog een goeie prijs gevangen voor Lucille. Ik raadde pa aan hetzelfde te doen met zijn negers, maar die wilde niet. ‘Ik behandel mijn zwarten zoals ik ze altijd behandeld heb. Als de tijd komt dat ik ze vrij moet laten, wil ik ze zonder blikken of blozen kunnen aanbieden om te blijven en te werken voor een loon. Ik ben niet te oud om mee te gaan met mijn tijd.’

Lucille verkopen midden in oorlogstijd, terwijl ze net gewend was geraakt aan het leven op onze plantage en vrienden had gemaakt, vond hij onnodig wreed en onverantwoordelijk. ‘Als je een slaaf koopt, koop je ook de verantwoordelijkheid erover. Die kun je niet zomaar van je afschudden als je daar zin in hebt.’

Van mijn broer kreeg ik voor het eerst in mijn hele leven een brief. De kerels waarmee ik een tent deelde, vroegen waarom ik zo moest lachen. Ik vouwde de brief op en zei: ‘O niks, mijn broer schrijft mij iets grappigs.’ Hij wilde weten aan wie ik Lucille verkocht had. Die stille genieter wilde haar terugkopen. Het was tijd voor de volgende stap. Ik had eigenlijk geen idee hoe het met Lucille ging en dat kon mij niet schelen ook, maar ik schreef hem terug dat ze had proberen vluchten van haar nieuwe eigenaar, terug naar onze nieuwe plantage. Ze had zo vaak willen vluchten dat ze eerst de tenen van haar linkervoet hadden afgezet. En toen dat haar niet tegenhield, hadden ze de spieren in haar dijen doorgesneden zodat ze niet meer snel vooruit kwam. Maar toen ze daarop haar nieuwe meester met zijn eigen jachtgeweer had verwond, waren diens stoppen doorgeslagen. Hij had een gat in haar onderbuik gestoken, had haar darmen eruit getrokken en die tegen een boom genageld. Daarna had hij haar met zweepslagen gedwongen om rond de boom te stappen, zodat haar ingewanden afrolden rond de boom. Dat had hij gedaan tot ze bezweek. Om het helemaal af te maken, had ik gezegd dat ze zwanger was geweest en dat de baby er tijdens haar stervensleed was uitgevallen.De baby leefde niet. Een interessant detail was dat het om een mulat ging. Ik schreef natuurlijk dat ik het ten zeerste betreurde, maar dat de oorlog iedereen de zenuwen gaf. Als kers op de taart schreef ik:

‘Het slechte gedrag van deze negerin die anders altijd zo dociel en gedwee alles met haar liet gebeuren, kan ik alleen verklaren uit de abominabele behandeling die ze daar kreeg. Dat ze zwanger was van een mulat wijst er op dat de nieuwe eigenaar zijn bezitsrecht ook in bed liet gelden, wat natuurlijk volstrekt inhumaan is. Al moet ik in alle eerlijkheid zeggen dat het meisje niet zonder schuld is. Ze opende haar benen voor jan en alleman. Dat was ook de reden waarom de vorige eigenaar haar aan mij verkocht. Al zijn negers gingen op de vuist met elkaar om te beslissen wie bij haar in bed mocht duiken. Bij ons veroorzaakte ze zulke problemen natuurlijk niet. De negers van pa hebben wel goede manieren.’

Ik kreeg geen antwoord. Twee weken later kreeg ik wel een brief van vader. Ze hadden gehoord van wat er met Lucille gebeurd was en ze hielden mij persoonlijk verantwoordelijk. Een meisje verkopen aan slechte huize was niet iets dat ze van hun zoon konden tolereren. De reputatie van de familie stond op het spel. Ik werd vriendelijk verzocht mijn volgende verlof niet thuis door te brengen, tot de gemoederen een beetje bedaard waren. Moeder had helaas mijn brief gelezen en lag ziek te bed. Ze droomde elke nacht van ‘het incident met de boom’, zoals mijn vader het verwoordde. In razernij schreef ik terug dat ik ‘in het gezicht van deze aantijgingen’ nu helaas de waarheid moest  zeggen. Ik had haar enkel en alleen verkocht omdat mijn broer ‘zekere nachtelijke genoegens met haar deelde’. Ik wilde de familie sparen van schande. Toen ik weken later het antwoord van mijn ouders las, was het duidelijk: ik had gewoon geen familie.

‘je mannelijke noden lenigen, zonder enige vorm van dwang van de kant van je broer, is nog iets heel anders dan een onschuldig wezen overleveren aan de wreedheid van een zwakzinnige sadist.’

Ik begon te denken dat ze zelfs hadden ingestemd met een huwelijk tussen hem en Lucille. Om mij de rest van mijn leven onder de neus te wrijven: ‘het is jouw fout, je had maar niet zo’n mooi meisje moeten kopen.’

Nijd is een slechte raadgever, maar ik kon het niet meer van me af zetten. Ik kon alleen nog aan mijn broer denken. Alles leek te schreeuwen dat hij beter was dan mij. Ik betrapte mezelf erop dat ik over manieren fantaseerde om hem uit de weg te ruimen. In het begin voelde ik me daar nog schuldig over. Maar na een tijd voelde ik alleen nog teleurstelling omdat ik mijn fantasieën niet kon uitwerken. Mijn ouders wilde ik ook terugbetalen voor hun ongelijke behandeling. Bezeten door nijd en frustratie zag ik één goeie optie: overlopen. Er was niks meer dat mij bond met het Zuiden en het was sowieso niet verstandig om voor een verloren zaak te strijden. In de noordelijke rangen voelde ik mij al snel beter thuis dan in de zuidelijke. Ze zagen overlopers graag komen. Overlopers deden hen de overwnning ruiken. Voor mij was er nu geen enkele weg terug meer. De confrontatie met mijn broer kon niet uitblijven.

6.

‘Yup, het is het vijfde’, Ryan stond over mij gebogen met een sip gezicht.

‘Welk vijfde?’, vroeg Walt. Hij drukte een kus op elke kaart in zijn kaartendek en keek niet op van deze bezigheid. Vanavond had hij pokeravond met enkele mannen van F compagnie, dus hij moest zijn dek zegenen.

‘Wel, het regiment dat tegenover ons ligt, is inderdaad het vijfde’, zei Ryan.

‘Ja, en wat dan nog?’, vroeg Walt,

‘Heb je het hem niet gezegd?’, vroeg Ryan aan mij.

‘Nope’, zei ik.

‘Wat gezegd?’, vroeg Walt

‘Toms broer dient in het vijfde’, zei Ryan tegen Walt. ‘En nu?’, vroeg Ryan aan mij.

‘Wat nu?’, vroeg ik. ‘Niks nu. We hebben elk onze kant gekozen. We wisten allebei dat dit kon gebeuren.’

‘Ja, maar toch. Je wil toch je eigen broer niet omver schieten? Ga dat eens uitleggen aan je ouders.’

Ik trok mijn zwarte vilten hoed over mijn ogen  Het enige uniformstuk dat ik had gehouden. De blauwe kepi’s van het noorden bevielen mij niet.

‘Je eigen broer?’, vroeg Walt. ‘Haha, shit, jongen, je hebt het ook niet getroffen. Kun je er niet om pokeren? Als hij verliest, loopt hij ook over naar onze kant. En omgekeerd.’

‘Ik ga niet terug. En mijn broer loopt niet over.’, zei ik.

‘Kan je geen overplaatsing vragen?’, vroeg Ryan.

‘Een voorkeursbehandeling eisen? Omdat mijn broer een sufferd is?’, vroeg ik. ‘Nee, bedankt.’

‘Moet ik hem echt niet laten weten dat jij hier zit? Met hun voorposten kun je zo een babbeltje slaan. ’t is erg rustig langs de linie. We wisselen zelfs kranten met hen uit. Voor wat koffiebonen geven ze de boodschap wel door.’

‘Nee’, zei ik, ‘als het hem interesseert, kan hij het wel voor zichzelf uitvissen.’

‘Jij je zin’, zei Ryan eindelijk, ‘maar jij liever dan ik, kerel. Jezus, man, ik mag er niet aan denken. Je eigen broer afmaken.’

‘Ach kom, wat is de kans? Ons regiment telt een paar honderd man, zijn regiment telt een paar honderd man. Wat is de kans dat we op elkaar schieten?’

‘Mja’, zei Ryan, ‘ik weet het zo niet. Onze legers hebben beide honderden regimenten, maar het is toch net dat van hem en net dat van ons die nu tegenover elkaar liggen.’

‘Ik geloof niet in kans’, zei Walt. ‘Wat is de kans dat iemand elke keer hij poker speelt een full house haalt, he? Kan niet he? Wel, ik zweer het jullie, laat mij twee uur poker spelen en ik haal minstens één full house. Ik geloof niet in kans. Ik geloof alleen in geluk.’

‘Nou, succes met de discussie’, zei hij, ‘ik ga die van F compagnie verder pluimen.’

‘Hoe close ben je met je broer?’, vroeg Ryan, die naast mij bleef hurken. Dat was één van de vele nadelen van het leven in de loopgraven: zero privacy.

‘Wil je mij met rust laten nu?’, vroeg ik. ‘Sinds het begin van deze oorlog, heb ik geen broer meer, duidelijk?’

‘Je broer is en blijft je broer’, zei Ryan. ‘Ik weet zeker dat er een speciale plek in de hel is voor mensen die hun eigen broer dood maken.’

‘Laat mij pitten!’, schreeuwde ik. Ryan was de vrijwillige organisator van religieuze avonden voor de troepen. Het laatste wat ik wilde was dat hij er zijn geloof bij sleurde. Ik weigerde nog iets te zeggen en pas toen hij zijn middagdutje deed, vlak na zijn middaggebed, trok ik naar de rivier. Daar bewaakten onze voorposten de enige doorwaadbare plek. Van verbroedering met de overkant, hadden ze een handeltje gemaakt. Over de rivier hadden ze een touw gespannen met een mandje. Als je iets in het mandje wilde transporteren naar de overkant, kostte je dat 1 dollar. Ik vroeg de voorposten van de vijand om mijn broer te roepen. Ik stopte mijn verzoek en een zak koffebonen in het mandje. Gaf een dollar aan mijn eigen voorposten en ging in het gras zitten.Er kwam snel een boodschap terug. ‘Als je dit leest, richt ik al op je, vuile verrader.’ Ik dook niet eens weg. Dat was veiliger. Het schot ging meters naast. Mijn broer was nooit een geweldig schutter geweest. Hij had de ogen van moeder, net als ik. Waar ik op gerekend had, gebeurde. Van enige rust langs de linie was plots geen sprake meer. Onze voorposten openden het vuur. Enkele minuten later knalden onze kanonnen.

7.

Technisch gezien, had ik hem niet vermoord, maar voor mijn ouders maakte het geen verschil. Ze wisten zelfs niet dat ik zijn dood had uitgelokt en toch gaven ze mij de schuld. Na de oorlog liet  vader per testament onze plantage na aan de zoon van zijn broer, mijn neef. Weliswaar zonder de slaven, want die hadden hun vrijheid gekregen, maar toch, de plantage alleen was nog steeds een fortuin waard. Wat ik de wereld ooit misdaan had om dit te verdienen, wist ik niet.

De enige waartegen ik alles eens verteld heb, was een hoer. Ze luisterde tot het eind, daar was ik haar dankbaar voor. Maar toen ik uitverteld was zei ze: ‘Natuurlijk was hij beter. Hij was ouder.’ Voor één seconde dacht ik dat die redenering de nijd in mij kon smoren. Maar nee, de kanker zat te diep. Ik zocht zelfs een tijd naar Lucille, die nu ergens van haar vrijheid genoot. Gewoon om er bij haar eens goed in te peperen dat mijn broer haar alleen maar gebruikte en, verliefd of niet, nooit in zijn kop zou halen om met haar te trouwen of zo. Als overloper kon ik mij in mijn geboortestreek niet meer vertonen, dus ik vestigde mij in het noorden. Het geld dat ik had, investeerde ik in de spoorwegindustrie. Ik onderhield een tijdje een briefcorrespondentie met mijn moeder. Maar toen ze bijna alleen over mijn broer kon schrijven, stopte ik ook daarmee.

Mijn investering in spoorlijnen was de enige goeie beslissing in mijn hele leven. Als ik uit de gevangenis kom, ben ik van plan om hard te genieten van de vette winst. Nog tien jaar. Dan kom ik vrij voor moord op een buurman. Hij had gelachen met mijn slechte zicht, toen ik tegen een lantaarnpaal botstte. ‘Je moet je ruiten wassen’, had  hij geroepen. Hij was een geweldige danser en de cassanova van het dorp. Als je in het zuiden iemand neerknalde, omdat hij je beledigd had, kwam je er vaak vrij licht vanaf. Maar niet hier, niet in dit dorp, niet ik. Als ik mijn broer zijn succes gewoon had gegund, was het allemaal anders gelopen. Maar ik kan het niet. Ik hoop van harte dat hij in de hemel zit en ik naar de hel ga. Als we samen in de hemel zitten, krijgt hij vast een betere kamer, met een beter uitzicht en leukere engels om hem te dienen. Ik kan het zo voor mij zien. Nee, doe mij dan maar de gewone hel.